Alleen voor witte mensen – NRC




Ook tot dusver onverdachte uitdrukkingen als ‘zwart schaap’ en ‘zwarte bladzij’ worden dezer dagen in sommige kringen als discriminerend ervaren. Daardoor rijst de vraag: wat te doen met oudere publicaties waarin, vaak met de beste bedoelingen, veel explicieter taal werd gehanteerd?Ik stuitte op een interessant voorbeeld toen ik een uit 1961 daterende pocket, uitgegeven door Het Spectrum, uit mijn boekenkast haalde: Moderne Amerikaanse verhalen, vertaald door de dichter-schrijver C. Buddingh’. Het is een bloemlezing van verhalen van schrijvers als Henry Miller, Truman Capote, F. Scott Fitzgerald en Ray Bradbury. Een van de verhalen heet ‘Alleen voor blanken’ (‘For White Men Only’) en werd geschreven door de blanke (pardon, witte) vrijwel vergeten schrijver James T. Farrell (1904–1979). Het begint als volgt: „‘Jongen, ik zeg tegen je, ga er niet heen’, zei Booker Jones, een kleine neger met een geelachtige huid.‘Booker, ik laat me door geen enkele blanke voorschrijven waar ik wel zal gaan zwemmen en waar niet. Als ik in die vijver hier in Jackson Park wil gaan zwemmen, ga ik daar ook zwemmen’, antwoordde Alfred, een lange en knappe, breedgeschouderde en koperkleurige neger.”Zo gaat het maar door: zwarte mensen worden consequent negers, nikkers zelfs, genoemd terwijl blanken blanken blijven. Twee „negergezichten” die uit het water komen, heten „kroeskoppen”. Welke woorden Farrell zelf gebruikte, is mij onbekend omdat ik de originele tekst niet kon vinden, maar ik neem aan dat Buddingh’ hem adequaat heeft vertaald.Een racist, die Farrell? Verre van dat. Farrell kwam uit een Iers-Amerikaanse familie in Chicago, werd in de jaren dertig tijdens de Depressie lid van de communistische partij en koos later voor het trotskisme. Hij was de geëngageerde schrijver van een realistisch getint oeuvre met de trilogie rond de hoofdpersoon Studs Lonigan als bekendste onderdeel. Saul Bellow vond hem geen sterke stilist, maar prees zijn trefzekere milieuschetsen.In het verhaal ‘Alleen voor blanken’ gaan twee zwarte jongens zwemmen in een bad dat uitsluitend door witte mensen wordt bezocht. „Booker zag dat verscheidene blanke baders hun kleren oppakten en uit hun buurt vandaan gingen, en hij haatte hen, nog steeds angst voor deze blanken koesterend.” De jongens zetten door en krijgen een pak slaag van een woedende meute. Een politieagent maakt een einde aan de afranseling. „De twee negers zaten in het zand, met kapotte, bloedende gezichten.”Farrell heeft dit verhaal in 1946 in een bundel gepubliceerd. Het had een inspiratiebron kunnen zijn voor de befaamde verzetsdaad van Rosa Parks, toen ze in 1955 weigerde haar zitplaats in een bus af te staan aan een witte passagier. Alfred uit Farrells verhaal stelt zich even compromisloos op, in tegenstelling tot zijn vriend die een lynchpartij voorziet. „We zullen gaan, maar we komen terug”, zegt Alfred uitdagend aan het einde tegen de agent. Farrell zal zijn verhaal ongetwijfeld bedoeld hebben als een felle aanklacht tegen racisme – in die tijd een moedige daad voor een witte schrijver. Toch zou tegenwoordig geen uitgever nog zo’n verhaal durven publiceren, tenzij met een uitvoerige uitleg over het gebruikte racistische idioom en de goede bedoelingen van de schrijver.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 4 juni 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *