Citotraining is er vooral voor kinderen van rijke, hoogopgeleide ouders




‘Nee lieve schat, dit is een zwak werkwoord, geen sterk werkwoord.” Eva Kortlever (29), begeleider van huiswerkinstituut HIP in Laren spreekt de elfjarige Thuur toe. Ze oefenen op de laptop, op tafel een glas limonade, op de vloer een hoogpolig kleed. Het gebouw waar ze in zitten, behuist zowel een particuliere school als ruimtes voor naschoolse huiswerkbegeleiding. Thuur (11) heeft er sinds augustus twee keer per week sessies voor spelling en rekenen. ‘Citotraining’ is het meest gebruikte zoekwoord waarmee mensen via Google bij het huiswerkinstituut terechtkomen, zegt directeur Miriam Lensen. Leerlingen kunnen in haar instituut terecht voor buitenschoolse bijles, examentraining, diagnostiekadvies of een totaalpakket op de particuliere school. Ouders kopen doorgaans tien een-op-een sessies van een uur in. Uurtarief: 45 euro. Binnenkort verhuist het instituut naar de overkant, vertelt Lensen, waar het 1.200 vierkante meter tot zijn beschikking heeft in plaats van de 300 nu. En dat is nodig, gezien de groei. Het aantal leerlingen van haar zestien vestigingen tellende franchise-onderneming verdubbelde de afgelopen vijf jaar van 1.500 naar 3.000 leerlingen.KansenongelijkheidDe groei kreeg een zetje door corona en thuisonderwijs. De gemiddelde ouder heeft het veel te druk om kinderen thuis les te geven, zegt Lensen, of weet gewoon niet hoe het moet. Diezelfde groei beschrijft de Onderwijsinspectie in het woensdag verschenen ‘Staat van het Onderwijs’-rapport. De jaarlijkse uit gaven van Nederlandse huishoudens aan aanvullend onderwijs stegen de afgelopen paar decennia met tientallen miljoenen euro’s. Dit leidt tot grote verschillen en kansenongelijkheid, schrijven de onderzoekers. Het onderwijs krijgt steeds meer kenmerken van een vrije markt, met „voorspelbare achterblijvers”.

Lees ook: ‘Schaduwonderwijs’ is een forse groeimarkt geworden

„Het is van belang dat kinderen van ouders die niet de mogelijkheid hebben aanvullend onderwijs in te schakelen, hierdoor zelf niet verder achteropraken”, schrijven de onderzoekers van de Onderwijsinspectie. Niet alle ouders kunnen aanvullend onderwijs betalen, ziet ook Kwame Agyapong-Ntra (ook wel: meester Kwame). Hij is de oprichter van Stichting SPE in Amsterdam-Zuidoost, waar zo’n vijftien leerlingen per jaar Citotraining volgen. Voor 11,50 per uur krijgen ze twee keer per week les in groepsverband. 40 procent van de leerlingen komt binnen via Stichting Leergeld, die gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens ondersteunt. De andere 60 procent betaalt zelf, een groot deel van hen is bijvoorbeeld schoonmaker en valt net boven de grens voor hulp. Agyapong-Ntra: „Sommigen haken af, hun ouders kunnen het niet meer betalen.” Hoogopgeleide oudersHet zijn vooral ouders van hoogopgeleide kinderen die bijlessen inkopen, erkent de Larense HIP-directeur Miriam Lensen. Verreweg de meeste kinderen die bijles volgen bij haar instituut hebben hoogpopgeleide ouders, op de vijftig tot zestig leerlingen na die via de HIP Foundation – de stichting die zorgt dat leerlingen van ouders met een laag inkomen ook bijles kunnen volgen – of via Stichting Leergeld naar een van haar vestigingen komen.Haar leerlingen hebben soms leerachterstanden, of kunnen wel wat extra zelfvertrouwen gebruiken. Lensen: „Het gaat erom dat je op een toets bijvoorbeeld weet: ‘O, dat zijn dit soort sommen, altijd iets met een vliegveld of een berg, en ik moet rustig lezen en uitrekenen’.” Leerachterstanden of gebrek aan zelfvertrouwen lopen leerlingen op door ziekte of een scheiding van de ouders. Het zou ook kunnen dat er niet veel hobbels zijn en de leerling het gewoon fijn vindt wat bij te spijkeren, zegt Lensen. Begeleider Hanneke (68) maakt op zolder met Juliëtte (11) alvast de oefeningen die haar juf volgende week behandelt. Dan weet ze alvast waar het over gaat, en kan ze haar vinger opsteken als ze het goede antwoord weet.

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *