De megasekte van de hardwerkenden




Afgelopen zomer kocht ik op internet voor 119 euro een oranje-geel-groene Braziliaanse hangmat, inclusief standaard. Er zat zelfs een tafeltje bij voor cocktailglazen. Het gevaarte zette ik neer op mijn werkplek, tegenover mijn bureau, als een dagelijkse aansporing niet te hard te werken. Noem het een antiprestatiemaatschappij-investering.
De eerste maanden maakte ik er veel gebruik van. Maar vooral om powernaps op te doen. Onze jonge kinderen waren die zomer nog vaak ’s nachts aan het spoken, overdag was ik dan gesloopt en haalde ik wat slaap in. Toen de jongens eindelijk normaal gingen slapen, raakte de hangmat in onbruik.
Het ding keek me soms aan als een ongelezen boek. Dan ging ik er even in liggen lezen. Maar luilakken, lanterfanten, lummelen – het klinkt leuk, tot je het moet doen. Het lukte gewoon niet. Ik lag in de hangmat als een rups in een cocon die wachtte op wat komen zou. Maar er kwam niets. Zeker geen zelfontplooiing, eerder zelfverpapping. En onrust.
Buiten rinkelden trams en liepen mensen belangrijk bellend voorbij. En dan ging ik ook maar wat doen. Het voelde als falen, zelfs het nietsen was mislukt. Ik kon niet eens meer als een kind onbekommerd schommelen, benen naar de hemel.
Mijn investering hing al gauw roerloos in de standaard, als een vergeten museumobject. Op het cocktailtafeltje geen glazen met parapluutjes, wel een stapel ongelezen boeken met daarop een laagje stof. Bovenop een sociologische klassieker: De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme van Max Weber. Het gaat over waarom mensen zo idioot hard werken. Tenminste, dat denk ik. Ik heb het boek nog steeds niet opengeslagen, geen tijd voor.
Ik leek wel een performancekunstenaar die de idiotie van deze tijd verbeeldt: zelfs een pandemie kan ons arbeidsethos niet stuiten

Mijn hangmat was als zo’n tafelvoetbaltafel van een hippe startup die moet uitstralen dat werk gewoon een spelletje is terwijl iedereen zich intussen het schompes werkt.
Maar een paar weken geleden veranderde er iets. Ik moest naar het ziekenhuis voor een oogoperatie. Niets ernstigs, alles ging heel goed, maar er zaten wel hechtingen in mijn beide oogbollen en de eerste ochtenden werd ik wakker met het gevoel alsof ik drie dagen had gefeest en daarna was gepeppersprayt. Toen ging ik maar in de hangmat liggen. Nu zou het toch wel lukken, dat niets doen?
Nou, nee. Want ik zou nog een essay voor de krant schrijven. Normaal ga ik daarvoor op pad en lees ik boeken. Beide kon niet. Maar ik dacht smart te zijn: ik schakelde gewoon over van mijn ogen op mijn oren. Ik downloadde de luisterboekenapp Storytel. Met m’n bloeddoorlopen ogen lag ik te luisteren naar flarden van boeken en podcasts over productief zijn of juist niets doen. Zoals een podcast over het boek Grip. Het geheim van slim werken van Rick Pastoor. En flarden van het recente manifest Fully Automated Luxury Communism van Aaron Bastani, over hoe we in het paradijs kunnen komen als computers ons werk doen. Intussen krabbelde ik driftig in een schriftje.
Zelfs revaliderend in een hangmat stopte ik kortom niet met werken. Ik leek wel een performancekunstenaar die de idiotie van deze tijd verbeeldt: dat zelfs een pandemie ons arbeidsethos niet kon stuiten. Sterker, veel mensen gingen er harder van werken. Bijvoorbeeld omdat ze naast hun baan een tweede baan als thuiswerkleraar kregen. Of omdat ze domweg niks anders konden bedenken dan doorwerken, nu alles dicht was. Wat had vrij nemen voor zin? Een van de oogartsen had me verteld dat ze afgelopen jaar ontzettend veel mensen te zien kregen die hun ogen hadden verslechterd door te lang achter schermpjes te zitten. Ook kinderen.
Misschien is de diagnose burn-out daarom zo populair: eindelijk echt vrij, zonder schuld of schaamte

Juist in die tijd van waanzinnig hard werken, verschenen er minstens drie Nederlandse boeken over het nut van ‘niksen’, leerde ik in mijn hangmat. Het bekendste is van Olga Becking, een werkende moeder die op een dag uitgeput op de bank instort. „Instorten is de sociaal aanvaarde manier van nietsdoen”, zei ze in mijn oor. Ik krabbelde het gauw in mijn schriftje.
Want inderdaad. We kunnen kennelijk alleen remmen door te crashen. Misschien is de diagnose burn-out daarom zo populair: eindelijk echt vrij, zonder schuld of schaamte. Gefeliciteerd, winnaar.
Toch maakten de boeken me ook verdrietig. Of ze nu gingen over slim je tijd indelen of over het ultieme belang van helemaal niets doen: uiteindelijk leek het me symptoombestrijding. Steeds slimmer dweilen met de kraan open.
Het leek sterk op de eeuwige wederkeer der dieetboeken. Steeds nieuwe diëten die hetzelfde net iets anders vertellen, maar die nooit duurzaam kunnen werken zolang suiker en vet spotgoedkoop zijn, zolang we van alle kanten zijn omsingeld door snoep en fastfood, zolang er geen suikertaks bestaat, zolang megabedrijven ons ongehinderd dik mogen maken. Zo jojoën we voort.
Op zo’n zelfde manier lukt het nooit echt te stoppen met hard werken, zolang de wereld is ingericht op de markt en op competitie. Er zijn altijd duizend smoesjes. Anderen niet teleurstellen. Nu hard werken zodat je straks vrij kunt nemen. Het is tijdelijk. Carrièredoelen. Dat je je uren moet kunnen verantwoorden. Dat je toch geld moet verdienen. En de ergste smoes: dat het werk leuk is.
Dat zal allemaal best. Werk is leuk en geld is nodig. Maar maak jezelf niets wijs, dat is niet de echte reden dat je zelfs in bed nog je werkmail leest en bij het opstaan als eerste naar je werk tast. We bleven werken toen de machines kwamen, we bleven werken toen de computers kwamen, en zelfs als alle excuses zouden wegvallen, zullen we blijven doorwerken, omdat er een stem in ons hoofd zit die zegt dat stilzitten des duivels is.
Het is de stem van het kapitalisme, zegt de Indiaas-Canadese dichteres Rupi Kaur:
capitalism got inside my head
and made me think my only value
is how much i produce
for people to consume
Die regels komen uit haar gedicht Productivity Anxiety en gaan over de vrees dat je niet productief genoeg bent. Nogmaals Kaur:
i measure my self-worth
by how productive i’ve been
but no matter how hard i work
i still feel inadequate
Simplistische poëzie, vinden sommigen. En inderdaad: je begrijpt het meteen. Zo makkelijk. Maar waarom wantrouwen wat je makkelijk afgaat? Kaur benoemt in dit gedicht, anders dan in veel van die luisterboeken, heel exact de oorzaak: je hebt kapitalisme in je kop.
En zo komt het dat mijn Braziliaanse hangmat voelt als een protestants spijkerbed

Je zou bijna vergeten dat het niet altijd zo was. Eindeloos hard werken om het werken: het zit niet in onze genen en niet in onze oudste verhalen. De eerste mensen op aarde, Adam en Eva, hadden echt geen productiviteitsangst. Zelfs niet na de zondeval. „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten”, heet het in Genesis. Werk was een straf. Een noodzakelijk kwaad. Heus geen deugd. Die omslag kwam pas later.
Waarom zijn we werk in vredesnaam gaan framen als deugd? Laat staan als passie?
Daarvoor moet ik vanuit de hangmat een greep doen naar de cocktailtafel. Naar het bestofte boek van Max Weber, De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. Of weet je wat, ik beluister de samenvatting wel op Storytel.
Max Weber (1864-1920) is een beroemde socioloog die te hard werkte en in een burn-out belandde. Gefeliciteerd. Want daarna, in 1904, schreef hij deze klassieker, eigenlijk een heel persoonlijk boek. Hij stelde dat het moderne kapitalisme voortkomt uit de calvinistische moraal. Calvinisten, een subgroep van de protestanten, leerden dat je tot je dood nooit zeker kon weten of je uitverkoren was om in de hemel te komen. Maar je kon wel aan tekenen afleiden of je uitverkoren was. Zoals het teken dat je materieel succes had door heel hard te werken.
Kortom, je moest volgens de calvinisten keihard werken en toch wist je nooit helemaal zeker of het goed genoeg was voor het paradijs. Een psychologische mindfuck. Maar precies dat protestantse arbeidsethos was dus de succesfactor van het kapitalisme.
Simpel gezegd: no matter how hard I work, I still feel inadequate.
Die calvinistisch-kapitalistische geest verspreidde zich over de hele wereld. En zo komt het dat mijn Braziliaanse hangmat voelt als een protestants spijkerbed.
Goed. Als dat arbeidsethos dus de grote boosdoener is, hoe komen we ervan af?
Ze waren hun tijd misschien te ver vooruit, dacht ik, met hun ideeën over het basisinkomen en automatisering

Met die vraag belde ik een vergeten pionier van de strijd tegen de kapitalistische geest, ene Bo Baden. Begin jaren tachtig richtte hij met twee andere werklozen de Nederlandse Bond Tegen Arbeidsethos (NBTA) op. Hun leus: „Ontheilig de Arbeid, Leve de Luie Donder!” En zo heette ook hun clubblad, de Luie Donder.
Ik stuitte er al googlend op en raakte gefascineerd. Het was in de tijd dat er in Nederland een miljoen werklozen waren. Wat is eigenlijk het probleem, zeiden Baden en kornuiten: zie het als een basisinkomen. Ze schreven strooibiljetten en verspreidden posters met teksten als: „Nederland heeft een pracht van een werkloosheid.” En: „De bond vindt het de hoogste tijd door heel het land de gedachte te verbreiden dat het nog steeds heersende arbeidsethos – in het zweet uws aanschijns zult u werken en wie niet werkt zal niet eten – wordt afgelegd.”
Ze raakten een open zenuw. Zelfs de PvdA was boos. En de bewust werklozen haalden de voorpagina’s van grote kranten. Maar juist vanaf de jaren tachtig gaf het neoliberalisme vol gas. Een neoliberalist is een kapitalist die een paar Red Bulls heeft gedronken. Het werd alleen maar erger met het arbeidsethos. De bond werd al gauw ontbonden. Ze waren hun tijd misschien te ver vooruit, dacht ik, met hun ideeën over het basisinkomen en automatisering, die nu weer worden opgepoetst.
Oprichter Bo Baden kwam na zijn kortstondige roem in de ‘spirituele hoek’ terecht. Hij leefde volop en leed ook veel: magische avonturen, manische depressies.
Inmiddels bestiert hij een webshop waarin hij zuigtabletten met vitamine B12 verkoopt. Ook promoot hij de boeken van het Zwitserse spirituele wonderkind Christina von Dreien. Hij leeft een beetje volgens de filosofie van Een werkweek van 4 uur, het boek van Timothy Ferriss. In zijn ‘vurruculum vitaal’ omschrijft hij zichzelf als lofdichter, influencer en woordkunstenaar.
De ware reden dat ik niet in mijn hangmat hang, is dat ik het domweg saai vind

Ik belde de oudstrijder vanuit de hangmat met de vraag of hij misschien wist waarom het niet lukt om in een hangmat te hangen. Echt werk doet hij nog steeds niet, zei hij, eigenlijk nooit gedaan, op wat jaren als leraar na. We spraken lang, en de volgende dag nog eens, over vitaminen, Ramses Shaffy en zonnebloemen. Ik zal niet alles verklappen, behalve twee dingen.
Baden vertelde me dat hij als ‘bewust werkloze’ juist geen luilak was. Hij was ontzettend druk, maar met zinvolle, plezierige dingen. Hetzelfde gold voor zijn medewerklozen: de een was een crèche aan het opzetten, weer iemand een drukkerij of atelier. Onbetaald werk, maar met bezieling. Werkvrij, noemden ze zichzelf.
Toen viel het eerste kwartje. De ware reden dat ik niet in mijn hangmat hang, is dat ik het domweg saai vind. Het alternatief van de ratrace is niet: niksen. Het alternatief is: zinvolle, plezierige dingen doen. Niet nietsen, maar ietsen. En dat deed ik allang! Ik ga soms midden op de dag kanoën. Of ik ga fotograferen. Ik ben allang goed bezig.
En dat laatste was ook precies wat Baden me voorhield toen ik hem vroeg waarom iedereen minder wil werken, maar slechts weinigen het doen. Hij zei dat diep in onze hoofden de veronderstelling zit dat we nog niet goed genoeg zijn als mens, niet af, dat je moet opklimmen op een ladder die nooit eindigt. „Voor je het weet ga je pas gas terugnemen als je 67 bent. En dat terwijl je er nu al bent!”
Hij zei eigenlijk, in iets andere woorden, hetzelfde als wat eerder Max Weber en Rupi Kaur in mijn oor fluisterden: je hebt kapitalisme in je kop. Een arbeidsethos dat ervoor zorgt dat je tot je laatste ademteug het gevoel houdt dat je jezelf nog moet verbeteren. Een to do-lijstje dat groeit hoe harder je taakjes afvinkt, hoe slimmer je je week indeelt.
Kapitalisme lijkt soms iets rationeels, iets voor mensen die smart zijn en slim leven. Maar het is hooguit slim en logisch voor mensen die profiteren van ons werk. Wij zitten gewoon vast in een sekte. Een megasekte van hardwerkenden die geloven dat ze ooit, in een vage toekomst het paradijs zullen bereiken, als ze nu nog even dat ene mailtje beantwoorden, nu nog even hun telefoon checken, nu nog even…
Trap er niet in. Je bent er al. Groot uitprinten en op de muur hangen. Werkt veel beter dan een hangmat.

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *