De Nederlandse roeiers gaan ‘kansrijker dan ooit’ naar de Olympische Spelen van Tokio




Ze stralen een serene rust uit, de Nederlandse mannen van de dubbelvier, terwijl ze op volle snelheid door het rimpelige Meer van Varese klieven. Hun bewegingsritme is loom, maar o zo efficiënt – de bladen van hun riemen gaan krachtig door het water, en bewegen daarna ontspannen weer naar voren. Vier uit de kluiten gewassen kerels van ruim negentig kilo – Dirk Uittenbogaard, Koen Metsemakers, Abe Wiersma en Tone Wieten – geven de boot waarin ze zitten telkens op het juiste moment een zwiep naar voren. Het is als een zweeptol, die bij een verkeerde timing onherroepelijk omvalt. Roeien is niet uitsluitend beuken, er komt ook finesse en timing bij kijken. Vanaf de kade, bij de plaatselijke Societa Canottieri, lijken ze vrijdag en zaterdag, in de series en halve finale, zonder dat het moeite kost over het wateroppervlak te zweven in een synchrone cadans die de perfectie nadert. De EK in Varese zijn de eerste competitie sinds oktober 2020, toen de dubbelvier Europees kampioen werd in Polen. De Britten waren er toen niet bij, vanwege het coronavirus. Een jaar eerder hadden ze ook al de wereldtitel veroverd. De Nederlandse scullboot – roeien met twee riemen – staat al twee jaar aan de wereldtop en is over ruim drie maanden de grote favoriet voor olympisch goud. „Het is de beste boot die we ooit hebben gehad”, zegt hoofdcoach Mark Emke zaterdagmiddag, daags voor de finale. Resultaat van een grote ommezwaai in het Nederlandse mannenroeien, waarbij beschikbare middelen slimmer zijn ingezet, en de nadruk op meerdere nummers is komen te liggen. Sinds het succes van de Holland Acht op de Spelen van Atlanta in 1996 staarde Nederland zich vaak blind op dat vlaggenschip, als meest prestigieuze onderdeel in de sport – het ziet er ook het machtigst uit, met acht oersterke mannen die zichzelf in minder dan zes minuten helemaal uit elkaar trekken. Maar doordat alle aandacht daarmee naar het boordroeien ging, werd het scullen naar de achtergrond gedrukt en bleven de resultaten op die nummers uit. In aanloop naar de Spelen van Rio, vijf jaar geleden, was dat niet anders. De oogst was er mager: alleen de Holland Acht haalde een bronzen medaille. Een dieptepunt volgde op de WK roeien van 2018. In het Bulgaarse Plovdiv haalden de mannen nul medailles. Maar op de achtergrond werkte bondscoach Eelco Meenhorst al aan een nieuw plan om het scullen opnieuw op te zetten. „Als je alles zet op de Acht en het gaat mis, dan sta je met lege handen”, zegt hij. „Ik dacht jaren geleden al: uit een acht kun je ook twee winnende vieren halen.” Radicale cultuuromslagOm een sport waarin lang op dezelfde principes werd vertrouwd te veranderen, was volgens Meenhorst een radicale cultuuromslag nodig. Van hardnekkige denkpatronen en geldende mores moest afstand worden genomen. „Roeiers zijn slimme mensen, weten wat goed voor ze is. Naarmate ze beter worden, verandert hun relatie met de coach. Ze gaan dingen naar hun hand zetten. Die cultuur was te open. Met het aantrekken van meer specialistische expertise is er nog altijd ruimte voor dialoog maar maken we keuzes op basis van inhoudelijke argumenten . De dynamiek is veranderd, de rolverdeling is helder: ik zet de lijnen uit en de roeiers respecteren dat. Het klinkt nietsontziend en dat is het ook. We zijn geen zoete broodjes aan het bakken.”Gelijktijdig met die culturele verandering kon inspanningsfysioloog Jabik Bastiaans aan de slag. Sinds zijn komst in 2018 zijn de Nederlandse scullboten een stuk beter gaan presteren. Dat is ook buiten de landsgrenzen opgevallen. Meenhorst: „Laatst hadden de Duitsers iemand benaderd van een Nederlands roeiblad om dingen voor ze uit te zoeken. Ik heb het resultaat met een glimlach gelezen. Ze hebben echt geen idee waarom we zo goed zijn.”Hij wil er ook geen details over kwijt. Dat zou de concurrentie alleen maar wijzer maken. „En dat vind ik niet fair tegenover de jongens.” Wat hij wel kan zeggen is dat de gevestigde orde in het roeien van weleer hem had uitgelachen als ze het huidige trainingsschema hadden gezien. Ze hadden hem voor gek verklaard. „We zijn veel meer gaan roeien, hebben de extremen opgezocht en die uitvergroot. In het eerste jaar kwamen roeiers in een zware trainingsweek vaak naar me toe met de vraag of ze het rustiger aan konden doen. Wat denk je zelf, zei ik dan. Zelfs mijn collega-coaches vroegen zich soms af of we niet wat te ver gingen. Maar de roeiers hadden hun vertrouwen in me uitgesproken. Ik had hun commitment. Dus kon ik het doorzetten.”Het jaar 2018 was heftig voor de mannelijke roeiers. Aan het eind van een zware trainingsweek moesten ze soms een langeafstandswedstrijd tegen elkaar doen in een skiff en in dezelfde week nog een test van twee kilometer op de ergometer. De omvang van de trainingen is enorm toegenomen, maar de intensiteit ligt vaak laag. Om een beeld te geven: de Holland Acht, in Tokio ook medaillekandidaat, doet soms sessies van 40 kilometer op het IJmeer bij Almere-Pampus. Inmiddels zijn de roeiers zo gehard en door krachttraining zo belastbaar, dat ze de Spartaanse aanpak hebben kunnen omarmen, zegt Meenhorst. Ze hebben ook gezien dat het werkt. De groep hoeft niet meer te worden aangespoord. Keihard trainen en zich laten leiden door mensen die ervoor geleerd hebben is onderdeel van de cultuur geworden. „Maar dat wil niet zeggen dat we even goud gaan pakken in juli”, zegt hij zaterdag.Dat blijkt een dag later, als de Nederlandse dubbelvier voor het eerst in ruim twee jaar tijd een titelstrijd verliest – Italië is sterker. „Veel jongens hadden pijntjes de laatste drie weken”, zegt Dirk Uittenbogaard, op de Spelen van Rio nog roeier in de Holland Acht. Zijn equipe is zwaar teleurgesteld. „Daardoor moesten we invallers inzetten. Dat geeft onrust en helpt niet in je voorbereiding.” Het is nog te vroeg om te concluderen dat de blessures zijn ontstaan door de enorme trainingsomvang, zegt hij. Maar hier moet wel over worden nagepraat. „We zitten altijd op onze limiet. Misschien zijn we daar nu net overheen gegaan. Maar ik denk dat iedereen hier vooral getergd uit gaat komen. Dit is een mooie wake-up call.”De vier zonder werd in Italië Europees kampioen op het rimpelige water van het Meer van Varese.
Foto Merijn Soeters
Ook bij de vrouwen wordt al een paar jaar op verschillende nummers ingezet, en niet langer alleen op de Acht. „Die boot kannibaliseerde de rest”, zegt vrouwencoach Josy Verdonkschot zaterdag. „In 2014 kozen we ervoor om het scullen te prioriteren. Dat is de afgelopen jaren volgroeid, waardoor we talenten konden laten doorstromen naar het boordroeien. We hebben onze roeisters eigenlijk breder ontwikkeld; geen specialisten meer op één nummer, maar met zijn allen trainen. Op de WK van 2019 stonden we systeembreed op het podium: in het scullen, het boordroeien en in de lichte klasse. De volgende stap is om die groep breder te maken en van daaruit een Acht te ontwikkelen. Die moet er staan in Parijs 2024.”Multi-inzetbaarVerdonkschot wil naar een systeem dat zichzelf voortdurend „ververst”. Jonge roeisters die breed worden opgeleid zijn multi-inzetbaar. Daarmee hoopt de bond de kans op succes ook bij de vrouwen te vergroten. Verdonkschot wil in Tokio op vier nummers meedoen om de medailles, in plaats van één op het meest prestigieuze nummer. Nadeel van de aanpak van Verdonkschot is dat roeisters vaak, ook in aanloop naar de Spelen, lange tijd niet weten waar ze aan toe zijn en dat er een voortdurend selectieproces plaatsvindt.Sinds Ymkje Clevering (25) in 2017 werd opgenomen in wat ze „de pool van Josy” noemt, werd ze wereldkampioen onder 23 in de vier zonder en zat ze een tijdje in de Acht, om toch voor de vier zonder te worden geselecteerd. „Nadat we in 2019 zilver wonnen op de WK, werd de boot weer opengelegd voor de groep. Onze coach denkt soms dat we scherp blijven van al die selecties. Dat klopt ook, maar het zorgt ook voor extra spanning.” Haar teamgenoot Veronique Meester beaamt dat: „Daardoor loop je elke training op je tenen. Je moet steeds ergometertests doen, en tegen elkaar roeien. Je vraagt je steeds af: ben je wel goed genoeg? Dat is niet altijd even leuk.” Clevering, daags voor de finale, waar Nederland zich als eerste voor plaatst: „Je zou kunnen overwegen dat anders te doen.”Door het uitstel van de Olympische Spelen had Verdonkschot de samenstelling van de vier zonder al veel vroeger dan normaal rond. „Dat gaf rust”, zegt Meester. „Als een training dan wat minder gaat, is het oké.” Clevering: „Het is veel leuker op deze manier.”Maar het geschuif van Verdonkschot heeft resultaat. Zondag worden zowel de vrouwen van de dubbelvier als die van de vier zonder stuurvrouw Europees kampioen. Die laatste boot deed dat voor het derde jaar op rij. Bovendien is dat nummer na een afwezigheid van 24 jaar komende zomer weer terug op de Spelen, ten koste van de lichte vier zonder bij de mannen. Het IOC besloot daartoe met het oog op gendergelijkheid. De vier zonder is een van de prioriteitsboten van de roeibond. En die stelde in Varese niet teleur. „Deze groep is sterker dan ooit”, zegt Verdonkschot. De resultaten op deze EK zeggen hem niet zoveel. Het gaat om de wedstrijden in Tokio. Mark Emke, zijn evenknie bij de mannen, had woorden van gelijke strekking: „We hebben nog nooit zo veel potentie gehad, richting de Spelen.”
De Britten zijn terug
Bij de EK roeien op het Meer van Varese is Nederlandin het medailleklassement als derde geëindigd, achter Groot-Brittannië en Italië. Roeigrootmacht Groot-Brittannië is na een jaar afwezigheid vanwege het coronavirus helemaal terug. Nederland won twee keer goud, vier keer zilver en drie keer brons. Het was de eerste grote krachtmeting sinds de EK van vorig jaar oktober, toen Nederland het klassement won. De EK waren geen hoofddoel. De ploegen bouwen op richting de Spelen.

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *