De onzekere terugkeer van Mathieu van der Poel bij zijn ‘liefde’: de mountainbike




Het was twintig minuten na vieren op donderdagmiddag en Mathieu van der Poel werd verwacht in een donkere garage aan de Untere Bachstrasse in het Zuid-Duitse stadje Albstadt, waar het de hele dag al met bakken uit de hemel kwam. Hij wilde door een glazen klapdeur de Zollern-Alb-Halle betreden, maar werd er vanuit zijn rug door drie journalisten op gewezen dat hij verkeerd zat en maakte rechtsomkeert. Daarop werd hij klem gezet.„Kunnen we je straks even opwachten?” Persman Jesse nam het woord: „Nee, dat gaan we niet doen.” Van der Poel begon te lopen, geflankeerd door Ceylin del Carmen Alvarado en een soigneur van de ploeg. In gewone kleding viel op hoe mager hij is; een blauwe spijkerbroek zat strak om zijn spillebenen en hij bewoog zich met eendenpassen voort. „Een interview was niet afgesproken”, riep hij. Zo schuw zag je Van der Poel eigenlijk nooit. Over zijn schouder, tegen iedereen en niemand tegelijk: „Ze mogen me altijd bellen, maar dit …” Achter in de garage hing een groen scherm waarop een camera stond gericht. Van der Poel trok zijn wielershirt aan, ging voor het scherm staan en een blonde vrouw, werkzaam voor de sponsor van het wereldbekercircuit mountainbike, las van een lijstje op welke poses ze wilde zien – een vinger voor zijn mond, uppercuts in het luchtledige, juichend. Van der Poel deed het zonder morren. Bij het volgende loket stond een fotograaf klaar. De journalisten belden in de tussentijd met de ploegleiding van Alpecin-Fenix. Ze hadden 800 kilometer gereden voor Van der Poel. Of ze tenminste twee minuten vragen mochten stellen. Er kwam groen licht. Na te zijn vereeuwigd maakte hij tijd. Er verscheen een ander mens dan zo-even. Open, kwetsbaar, eerlijk. De veelwinnaar twijfelde aan zichzelf. Wist niet of hij het nog kon. Hij was „gezond gespannen.” Want het was 11 augustus 2019 toen hij voor het laatst een mountainbikewedstrijd reed, 21 maanden geleden. In Lenzerheide, Zwitserland, won hij glorieus, voor de derde keer dat jaar. Het had hem drie seizoenen gekost om de sport onder de knie te krijgen en het was „een hels karwei” geweest, zei zijn vader Adrie. Hij wist niets van de sportToen de familie Van der Poel vroeger op vakantie ging, namen ze alleen de veldritfiets mee. Daar hingen ze wegwielen in als ze een dag op het asfalt wilden blijven. Mountainbiken deden ze niet. Maar met de Olympische Spelen van Rio in zicht wilde Van der Poel kijken hoe ver hij zou kunnen komen in die discipline. Zijn vader was het in aanloop naar Atlanta 1996 niet gelukt. Het werd een tijdrovende campagne. Hij wist niets van de sport, zei bondscoach Gerben de Knegt. „Niet welke tandwielen hij moest steken, welke banden hij moest gebruiken, of hij voor- én achtervering moest kiezen of niet.” In de wereldbekers moest hij op de achterste rijen starten, omdat hij nog geen punten had verzameld. Evengoed rukte hij op van de negentigste plaats naar de middenmoot, op zichzelf een bijzondere prestatie. Maar het resultaat was nihil. En hij kreeg knieklachten. De Spelen van Rio kwamen te vroeg, maar het mountainbiken liet hem niet meer los. De Knegt: „Dit was een sport waarin hij nog veel te leren had. Dat triggerde hem.”In 2017 sloop Van der Poel naderbij, maar winnen op het hoogste podium lukte hem nog niet. Het niveau van de Zwitser Nino Shurter, achtvoudig wereldkampioen, leek te hoog gegrepen. Maar in 2018 voerde de UCI een shorttrack-wedstrijd in, een race over twintig minuten op een eenvoudig parcours, twee dagen voor de wereldbeker cross country. De uitslag op vrijdag bepaalt de startvolgorde op zondag. Van der Poel won er gelijk eentje in Val di Sole, Italië. Het duurde nog tot mei 2019 voor hij zijn eerste wereldbeker won. Dat deed hij op zijn favoriete parcours, in Nove Mesto, Tsjechië. Aan de finish was Van der Poel uitzinnig. In het mountainbiken kon hij niet alleen op zijn ongewone talent varen, nee, hier kreeg hij loon naar werken. Dat gaf hem een kick. De mountainbike werd de fiets waar Van der Poel het meest van ging houden. Hij kon er op spelen, ermee stunten. „En Mathieu is een natuurliefhebber”, zei zijn ploegbaas Christoph Roodhooft. „De wedstrijden op de mountainbike spelen zich af op de mooiste locaties.” Mountainbiken is relaxedAdrie van der Poel zag aan zijn zoon dat het mountainbiken hem rust bood: „Ik kom er steeds meer achter dat de druk op hem in het wegwielrennen groot is. Het kan een verademing zijn om een paar maanden per jaar met de mountainbike op pad te zijn.” Bart Brentjens, in 1996 de eerste olympisch kampioen mountainbiken: „Wegwielrennen is glamour, geld, status. Mountainbikers zijn relaxed, liefhebbers van materiaal en natuur. Mathieu past in dit wereldje.” Zelf zei hij: „Er is geen stress bij een mountainbikewedstrijd. Iedereen is oké, alles is leuk.”Van der Poel domineerde in 2019 en was klaar voor olympisch goud in Tokio. Zijn carrièreplanning viel naadloos in elkaar: 2020 was voor de Spelen, in 2021 zou hij alle aandacht hebben voor zijn debuut in de Tour de France. Maar door de pandemie en het uitstel van de Spelen werd dat in de war geschopt. In 2020 reed hij geen mountainbikerace. En dit jaar zal hij de Tour en Tokio moeten combineren, aangezien de sponsoren verwachten dat hij, als grote naam, in de belangrijkste wielerwedstrijd van het jaar zal verschijnen. Die combinatie is pittig: de Tour eindigt op 18 juli, de mountainbikerace is op de 24ste. „We gaan er alles aan doen om hem zo goed mogelijk naar Tokio te krijgen”, zei Roodhooft. „Maar we hebben maar één Mathieu.”Door de Tour is er ter voorbereiding op de Spelen ruimte voor slechts twee mountainbikeraces; in Albstadt en Nove Mesto. Die races moet hij eigenlijk winnen om in Tokio op de eerste twee startrijen te mogen staan. Na bijna twee jaar van afwezigheid. Vandaar die zeldzame onzekerheid. „Voor hetzelfde geld ben ik de aansluiting met de wereldtop weer verloren”, zei Van der Poel donderdag. Na zijn tweede plaats in de Ronde van Vlaanderen, een maand geleden, trainde hij maar drie weken op de mountainbike. „Ik ga denk ik niet zo goed zijn als in 2019”, schatte hij in. Vader Adrie: „Misschien is het net als met skiën. Dat doe je tien jaar niet, en dan kun je het alsnog.”Wisselen van de wegfiets naar de mountainbike was niet zo’n probleem, zei Van der Poel. „Ik moet er alleen een beetje inkomen met de techniek.” Er zouden ook grenzen kunnen zitten aan de vermogens van Mathieu van der Poel. Drie disciplines op wereldniveau onderhouden, in één jaar? Alleen de Brit Thomas Pidcock volgt zijn voorbeeld. De Knegt: „Geef Mathieu een BMX en ook dat is geen grapje. Hij is handig op elke fiets.”

Mathieu van der Poel in actie in Albstadt.
Foto Björn Reichert/Hollandse Hoogte

Vrijdag trok het open boven Albstadt toen Van der Poel zich in de voortent van zijn camper op een racefiets warm trapte voor de shorttrack-race. Er stond hardstyle-muziek op en hij dolde met zijn verzorgers. Terwijl zijn concurrenten verderop in de straat opeengepakt achter hekwerk op hun mountainbike sprongen en als een gelegenheidsfamilie op rollerbanken begonnen aan hun warming-up, staarde Van der Poel voor zich uit, leunend tegen zijn frame, de benen gekruist; hij trok zijn eigen plan. Twintig minuten later kwam hij winnend over de finish, alsof hij nooit was weggeweest. Hij pakte bovendien 125 kostbare punten richting Tokio. RentreeOp internet ging het over de rentree van het fenomeen op twee wielen, maar zelf wist hij beter. „Deze inspanning leunt tegen die van een veldrit aan”, zei hij. „De cross country op zondag blijft een vraagteken.” Volgens Bart Brentjens was Albstadt „een klimrondje.” Niet per se geschikt voor de kwaliteiten van Mathieu van der Poel. Hij won de wedstrijd ook nog nooit.Zondag baadde Albstadt in het licht, bij 25 graden en windstilte – zoals het hoort bij een zomersport. De wedstrijd duurde bijna anderhalf uur, over rondes van vier kilometer met 190 hoogtemeters, en twee moordende beklimmingen waar het kleinste verzetje nodig was. De afdalingen over kronkelige bospaden waren zo steil als skipistes en lagen bezaaid met rotsblokken en boomwortels. De mountainbiker mag niet bang zijn om zich soms verticaal naar beneden te laten storten en zijn bovenlichaam en armen te gebruiken om de fiets door krappe kuipbochten en langs dennenbomen te sturen. Het moeilijke aan de cross country is dat er geen moment van herstel is. De hartslag-files laten een stabiel verloop zien; diep in het rood. De bovenbenen en longen staan in brand en het waarnemingsvermogen vermindert. Van der Poel had er de zenuwen voor.Misschien startte hij daarom zo furieus, in een poging de spanning uit zijn lijf te rijden. Hij lag na de eerste bocht derde en een beklimming later aan kop. Door ver achter zijn zadel te gaan hangen sloeg hij niet over de kop bij een sprong over een helling van 60 procent, die Devil’s Corner werd genoemd. Door het getrek aan zijn stuur zat zijn zonnebril scheef op zijn neus, maar dat maakte zijn verschijning niet minder indrukwekkend. Er leek geen twijfel te bestaan: Van der Poel ging verder waar hij bijna twee jaar geleden opgehouden was.Maar halverwege viel hij terug naar de twaalfde plaats. Was hij te onbesuisd van start gegaan? „Nee, dat niet”, zei hij later. „Ik kreeg last van mijn onderrug, daarom moest ik mijn eigen tempo gaan rijden. Dat heb ik altijd bij mijn eerste wedstrijd op de mountainbike. Het ligt aan de positie op die fiets. Die spieren kun je moeilijk trainen. Je hebt wedstrijden nodig.” In Tokio zal Van der Poel ook aan de start staan na een lange tijd zonder mountainbikerace. Volgende week is al zijn laatste. „Maar daar gaan we nog wel iets op verzinnen”, zei hij. „Ik doe veel stabiliteitsoefeningen. En tegen die tijd heb ik een hoogtestage gehad.”Aan het einde van de race kwam Van der Poel terug tot het wiel van Thomas Pidcock, die zeer knap vijfde werd na als 76ste te zijn gestart. Van der Poel moest hem in de slotronde laten gaan. Weer die rug. „Dat is geen excuus. Ook conditioneel ben ik nog niet waar ik zijn moet. Maar het was niet slecht.” Van der Poel werd zevende, op veertig tellen van winnaar Victor Koretzky. Daarmee was de twijfel niet weg, zei hij, gedoucht, in een joggingbroek, op badslippers. „Dan had ik bij het eerste groepje moeten zitten. Mijn voorbereiding was te kort. Volgende week hoop ik beter te zijn. Ik ben niet moe, heb alleen spierpijn in mijn rug.” Belangrijkste was de terugkeer in de sport die hij „mijn liefde” noemde.

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *