Een journalist aan de lijn met vragen? Ja, dan kunt u in de krant komen




Tegen middernacht werd minister van Justitie John Mitchell uit bed gebeld door The Washington Post. Of hij commentaar had op een onthulling die de krant de volgende ochtend zou brengen, namelijk dat hij een geheim politiek spionagefonds had beheerd voor de regering-Nixon. „Jeeeezus! Gaan jullie al die flauwekul in de krant zetten?” riep Mitchell. „Dan komt Katie Graham [uitgever van The Post] met haar tiet in een grote vette wringer.” Even later hing hij op.Zijn woorden kwamen letterlijk in de ochtendkrant. Nou ja bijna, want de verwijzing naar de anatomie van de uitgever was in de family newspaper gekuist.Heel even moest ik aan Mitchell denken toen ik op Twitter de bezwaren teruglas van rechtsfilosoof Roland Pierik tegen citaten van hem in NRC. Niet dat ik de respectabele filosoof wil vergelijken met Nixons minister van Justitie – lieve hemel zeg! – maar omdat zijn reactie, aanmerkelijk beschaafder, aangeeft hoe weinig vanzelfsprekend het is geworden voor journalisten om iemand die je hebt gesproken te citeren.Pierik, die lid is van de Gezondheidsraad, werd gebeld door verslaggever zorg Frederiek Weeda, voor een artikel over de vaccinatiestop met AstraZeneca. Pierik sprak over de tragiek van beleidskeuzes en verdedigde de stop.Een paar uur later zag hij zijn woorden terug in een stuk op nrc.nl – tot zijn schrik. Hij had zich niet gerealiseerd dat zijn gesprek on the record was. Pierik deed zijn beklag bij de verslaggever en op Twitter, waar hij bijval kreeg. Kon dit zomaar? Olie op het vuurtje was de tweet van Weeda’s chef, die een screenshot plaatste van de NRC Code: ja, dit kon.In een toelichting zegt Pierik dat het hem niet eens om de uitspraken zelf ging, maar om het feit dat hem niet was gezegd dat hij zou worden geciteerd en zijn citaten niet ter inzage waren gegeven. Een andere NRC-verslaggever had dat eerder wel gedaan (die bevestigt dat, maar zegt dat hij het niet aanbood maar Pierik erom vroeg). En ja, nu kreeg hij weer allerlei wappies op zijn dak. Die laatste zorg is niet ongegrond. Dat bleek deze week, toen Pierik werd geïnterviewd in De Twentsche Courant Tubantia. Een opmerking over vaccinatie bij kinderdagverblijven wekte woede bij de zorgeloze vrijheidsvierders van Forum voor Democratie.Anderzijds, zó traumatisch was zijn ervaring ook weer niet, want de filosoof nam Weeda’s artikel wel op in de lange lijst ‘media-optredens’ op zijn persoonlijke website (‘interviews met mij en andere aandacht voor mijn werk’).Bij Pierik is de woede inmiddels gezakt, nee geen hard feelings – hij had het toen ook druk en was niet helemaal alert geweest – maar hij zegt nu wel voorzichtiger te zijn met het praten met journalisten.Had hij een punt?Een misverstand kan optreden, maar de regel is inderdaad: commentaar op vragen kan in de krant komen, tenzij anders is afgesproken. Bij Mitchell wilde hoofdredacteur Ben Bradlee drie dingen weten. Klonk de minister dronken? Nee. Had de verslaggever zich kenbaar gemaakt? Ja. En had hij goede aantekeningen? Ja.Soms kan een klacht niettemin terecht zijn. Als de verslaggever zich niet heeft voorgesteld, of dat wél doet maar de spreker nul ervaring heeft met de media of niet toerekeningsvatbaar blijkt. En het kan zijn dat een verslaggever een vaste bron heeft bij wie verwarring ontstaat of een gesprek nu on of off the record was. Oplossing: maak duidelijke afspraken en hou je er ook aan; altijd goed voor het wederzijdse vertrouwen.Geen van die situaties was hier aan de orde. Weeda maakte zich kenbaar, de rechtsfilosoof is geen onbekende met de media (sinds 2014 publiceerde hij in NRC acht opiniestukken) en de twee hebben ook niet het soort langdurige, vertrouwelijke contact dat tot verwarring kan leiden. Weeda citeerde hem één keer eerder (hij vroeg én kreeg toen inzage).Het voorval illustreert hoe ingewikkeld het voor verslaggevers kan zijn om iets te doen wat nog maar kort geleden doorgaans vanzelf sprak: iemand citeren. Onder de knoet van Google en sociale media zijn we allemaal onze eigen reputatiemanagers geworden. Je kunt immers finaal worden afgerekend op onbezonnen uitlatingen, zelfs van tien jaar oud. Daar komt bij dat inzage geven zo ongeveer de praktijk is geworden in Nederland – met alle complicaties voor journalisten van dien: mensen gaan het zien als een recht, dat kan worden opgeëist.Maar een recht is het niet. Sprekes kunnen soms inzage krijgen om onjuistheden te corrigeren of iets te verduidelijken – maar het is aan de verslaggever om daarmee in te stemmen. Wie er als journalist te veel in meegaat, maakt van zijn bronnen co-auteurs.Het leidt ook tot begripsverwarring. Citaten voorgelegd krijgen is geen ‘wederhoor’. Dat laatste slaat op de plicht individuen of instanties die ergens van worden beticht hun kant van het verhaal te laten vertellen; iets heel anders dan een deskundige reactie vragen. Voor dat wederhoor geldt – zeker bij eigen onthullend onderzoek van de krant – dat het zoveel mogelijk onderdeel moet zijn van het onderzoek, niet iets dat je pas daarna even snel gaat ‘halen’. Dat is dan ook de regel bij NRC – al gaat het niet altijd goed .

Praat mee met NRC

Onderaan dit artikel

kunnen abonnees reageren.

Hier leest u meer over reageren op NRC.nl
.
Uitleg is dan altijd nuttig, ook achteraf. Zo is na beraad aan het recente artikel over kunsthandelaar Jan Six online toegevoegd dat drie keer contact met hem was gezocht (in het stuk stond alleen dat hij niet met NRC wilde praten).Terecht. Al had ik nog steeds moeite met de voorpagina-kop Jan Six: rel nummer twee. Rellen nummeren wekt de indruk dat je het op iemand hebt gemunt. Of iets een „rel” wordt, moet je trouwens afwachten. Dat hangt af van de reacties – die je na het wederhoor kunt gaan vragen.Sjoerd de JongReacties: ombudsman@nrc.nl
De lezer schrijft … Een laptop is een laptop
In een Commentaar over onderwijs staat: „Studenten gebruiken vaak niet alleen de camera op hun laptop of MacBook.” Een laptop is een laptop, van welk merk of met welke trendy naam ook. Dit is sluikreclame voor Apple op een plek waar ik het geheel niet verwachtte.Eric van Esch
… de krant antwoordt En is dat ook nog in het Commentaar
De lezer heeft gelijk, zegt eindredacteur Hans Wammes (die niet het Commentaar redigeerde). Een MacBook is óók een laptop, meer in het bijzonder eentje van Apple. De constructie die de commentator gebruikte is dus zoiets als: „Scholieren gebruiken vaak een smartphone of iPhone.” Het komt in de taalpraktijk voor dat een merknaam synoniem wordt met de functie van een bepaald product; zoals online zoeken nu alom ‘googelen’ heet – en navigatiesystemen in auto’s lang bekend stonden als Tom-Tom. Maar het Macbook is nog niet zo ver, ondanks alle inspanningen van de ontwerper en niettegenstaande het gezaghebbende Commentaar.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 24 april 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 24 april 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *