Een karikatuur van de superlatief

Een karikatuur van de superlatief

[ad_1]


Als een cholerische olievlek spreidt zich een nieuw virus door ons land en geen kruid of injectie lijkt ertegen opgewassen. Jong, oud, zwart, wit, geletterd of ongeletterd, de hele natie lijkt aangestoken. Een epidemie par excellence, waarvan ik de naam niet zonder moeite uit m’n strot krijg: super. U dacht aan brandstof of de buurtwinkel? Welnee. Het betreft hier het alles-overtreffende adjectief dat zich als een gulzige bloedteek vastzuigt aan iedere frase en kennisgeving. Mooi is niet meer mooi, maar voortaan ‘supermooi’; gezellig is niet meer gezellig, we hebben het nu ‘supergezellig’. Typerend is dat niet de besmette persoon in kwestie ziek en misselijk wordt, maar gevoelige schepsels als ik, die het onverhoeds in hun gezicht krijgen gesmeten. M’n adem stokt, pupillen worden wijder en ik zoek me radeloos naar het spuugbakje. Er is geen ontkomen aan, het virus achtervolgt me overal, in winkels, op straat, in parken, zelfs in mijn dromen verschijnen uitzinnige menigtes die non-stop ‘supergrappig!’ en ‘supertof!’ scanderen. Goddank heb ik nog mijn huis, mijn veilige thuishaven, mijn laatste onbesmette stekkie. Tenminste, dat dacht ik, tot vorige week op klaarlichte dag het virus via Zoom mijn werkkamer infiltreerde. Ik zat samen met een illuster gezelschap in een online-sessie; we bespraken een medisch-informatief animatiefilmpje. Na de voorstelronde kregen we het filmpje te zien waarna ieder gevraagd werd naar zijn/haar oordeel. En jawel, dáár spatten reeds de aerosolen rijkelijk over mijn bureaublad, geen houden aan. De een vond de animatie ‘superknap’, de ander was ‘superverrast’, weer een ander was gecharmeerd door de ‘superleuke’ samenwerking, waarna de ‘supertrotse’ makers de sessie afsloten met de opmerking dat ze ‘superbenieuwd’ waren hoe dit filmpje ging vallen bij de doelgroep voor wie het ‘supernodig’ is. Intussen was ik onder de tafel verschrompeld tot een naar adem happende mier.

Wat is hier allejezus aan de hand!? Dit waren stuk voor stuk geschoolde vakmensen, maar kan iemand mij uitleggen wat nog de betekenis is van ‘knap’ als alles ‘superknap’ is en welke lading ‘trots’ dekt als tout le monde ‘supertrots’ is? Of zijn dit soms de temperamenten die de vooruitgang van onze soort en esthetiek gaan bepalen voor toekomstige generaties? En het kakelt mekaar maar na en niet één oord is nog pluis. Televisie, radio, krant, Facebook, LinkedIn, Twitter, in ieder mediumvezeltje knettert en spettert het ‘superbelangrijke’ ontdekkingen, ‘superboeiende’ docu’s, ‘supergave’ foto’s en ‘superdappere’ boeken. Een permanente staat van opwinding en spanning: doe ff normaal is het oude normaal. Zelfs de evidente horreur als bommen op Gazaburgers is niet meer gewoon ‘extremistisch’ maar ‘superextremistisch’ – zie hier hoe de superlatief ontaardt tot een karikatuur van zijn eigen superlatief. Ik raak er hoe dan ook danig van ontregeld. Kan me stomweg geen voorstelling meer maken bij de mate die ‘super’ vertegenwoordigt. Terwijl vroeger ‘super’ mij als het hoogst haalbare in de oren klonk – ik zag hoe Superman, Spiderman, Batman en al die andere stoere helden de kleine man uit de klauwen van het kwaad bevrijdden – nu denk ik alleen maar: zet alsjeblieft vijf dikke mondkapjes op.

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *