Een kwestie van indekken – NRC




De taxi reed stipt op tijd voor. De chauffeur was een kleine Turks-Nederlandse man van in de zestig, gezeten achter het al bijna vertrouwde plexiglas. Ik wurmde me moeizaam op de achterbank met de mand waarin mijn poes Lotje zich tegen wil en dank had laten opsluiten. Hoewel het niet slecht met haar ging, moesten we weer eens naar het dierenziekenhuis, ditmaal voor een controle.De chauffeur begroette me nauwelijks, niet uit onbeleefdheid maar omdat hij, zittend achter zijn stuur, in een luidruchtige conversatie was verwikkeld met een man die zich vóór zijn auto had opgesteld. Het was een jonge, stevig gebouwde man, een van de steigerbouwers die aan een belendend pand bezig waren. Steigers bouwen associeer ik met lawaai. Steigers moeten opgebouwd en afgebroken worden – in dat opzicht hebben ze iets van mensen weg – en dat gaat gepaard met veel gebonk, gedreun en gerammel, soms uren achter elkaar. Daarbij komt nog het geschreeuw van de bouwers, die zich boven het lawaai uit verstaanbaar moeten maken. Mijn taxichauffeur voelde om een andere reden enig ongenoegen bij zich opkomen. De steigerbouwer stond het nummerbord van zijn auto met zijn mobieltje te fotograferen.„Wat doe je nou, man!” , riep de chauffeur.„Ik moet me indekken”, riep de steigerbouwer terug. „Ik heb de straat met een stopbord afgezet en jij rijdt gewoon door. Als er straks ongelukken gebeuren met fietsers of auto’s die ook doorrijden, dan moet ik kunnen aantonen dat het jouw schuld is.”„Mijn schuld, ben je helemaal besodemieterd! Er stónd daar geen bord. Je hebt het gewoon plat op de straat gelegd, weet ik veel dat het een stopbord is. Hou op met dat fotograferen!”De chauffeur stapte uit en zette de ruzie luidkeels op straat voort. Ik keek ongerust in de mand, maar Lotje bleef voorlopig onbewogen onder deze mensenruzie; zij had andere zorgen. Wat te doen? Als de heren op de vuist gingen, zouden we onze afspraak in het ziekenhuis missen. Maar daar was de chauffeur alweer terug, weliswaar nog steeds schuimbekkend. „U heeft het gehoord, er valt niet mee te praten. Hij moet die straat goed afzetten, daar is hij verantwoordelijk voor, niet ik.”Hij reed snel achteruit – tot de plek waar inderdaad een gelig bord plat midden op de straat lag. „Kunt u het lezen?” vroeg hij retorisch. „Hoe kan ik weten dat dit een stopbord is – dit stuk karton op de weg? Weet je wat, ik ga het ook fotograferen.”Hij stapte uit en maakte zijn foto’s, waarna hij het bord naar de kant van de straat sleurde. „Wilt u voor mij getuigen als het een zaak wordt?” vroeg hij toen we weer reden. „Dan schrijf ik straks even uw naam op.”Ik zag me al voor de rechter zitten. „Heeft getuige Abrahams zich ervan verwittigd dat het stopbord niet in staande, maar in liggende positie was gesitueerd?” „Jawel, edelachtbare.” „Had u toen het vermoeden dat dit tot zulke ernstige ongelukken kon leiden?” „Eerlijk gezegd niet, edelachtbare, ik vond het oponthoud vooral rot voor Lotje.” „Voor wie zegt u?’’ Ik knikte naar de chauffeur. In de verte zag ik de steigerbouwer naar het bord lopen om het overeind te zetten. Hij was kennelijk toch bang dat hij zich eventueel niet voldoende kon indekken.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 26 april 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *