Hafid Bouazza: vurig en barok schrijver, gedreven door zucht naar extase




‘Leve de ontworteling! Leve de thuisloosheid! Leve de ongebondenheid! Leve de verbeelding!’ besloot de donderdag op 51-jarige leeftijd overleden schrijver Hafid Bouazza zijn essay Een beer in bontjas in 2001. De tekst was hem gevraagd door de Boekenweek, die dat jaar ‘Schrijven tussen twee culturen’ als thema had. Maar tussen twee culturen? Bouazza was juist sterk gekant tegen het stempel ‘migrantenliteratuur’. In zijn werk vond je geen evocaties van het gespleten leven als Marokkaanse Nederlander, geen autobiografie of getuigenisliteratuur. Want „verscheurd” wás hij niet, zei hij destijds in een interview: „Ik voel me niet verbonden met Marokko. Van heimwee heb ik nooit last gehad. En ik had bepaald geen problemen mij aan te passen.”Migratie: lust, geen lastToch zal Hafid Bouazza (1970) de geschiedenis ingaan als een van de eerste Marokkaans-Nederlandse schrijvers die serieuze literaire waardering verwierven. Helemaal los van de invloeden uit zijn geschiedenis en jeugd staat zijn werk toch ook weer niet. Zijn debuutverhalenbundel De voeten van Abdullah (1996) speelde grotendeels in een woestijndorp, de sfeer was sprookjesachtig ‘oosters’, en de cultuur van zijn herkomst zou een onderwerp in zijn oeuvre blijven. Maar migratie zag hij, zo beschrijft hij in Een beer in bontjas, niet als een last maar als een lust, als een kans op hergeboorte. Thuisloosheid biedt een ongebonden kunstenaar juist een pad naar de vrijheid. „Een goede schrijver probeert de problemen van afkomst en oorsprong juist te overstijgen”, verklaarde hij al bij zijn debuut.Als zevenjarige jongen verhuisde Bouazza vanuit Oujda in Marokko naar het Zuid-Hollandse Arkel, waar zijn vader al werkte als gastarbeider. Hij ging Arabisch studeren in Amsterdam, naar eigen zeggen om de verhalen van Duizend-en-één-nacht in het origineel te kunnen lezen. Hij interesseerde zich meteen voor oude literatuur, hij vertaalde klassieke Arabische poëzie. Maar hij had ook belangstelling voor de lyriek uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis: het ridderverhaal Lanceloet, en ook de Mei van Gorter, de Tachtigers. Het exotische vocabulaire dat zijn barokke literaire handschrift bepaalde, en waarvan critici vermoedden dat die Arabische invloeden verraadde, was veelal terug te voeren op in onbruik geraakt Nederlands.

Lees ook: een interview van Bas Heijne met Bouazza (2003): ‘Een moskee is geen cultuur, het is folklore’

VrijheidsdrangBouazza’s talent werd onmiddellijk gezien. Er was ook kritiek op zijn vroege romans Momo (1998) en Salomon (2001), op de ‘woordpraal’ en het ‘maniërisme’, de metaforen en zinnebeelden die geen maat hielden. Wat alom gezien wordt als zijn beste boek bevatte minder veeleisend woordspel en was het meest speels en toegankelijk: Paravion (2003), bekroond met de Gouden Uil. De roman handelt over een dorp waaruit op een dag alle mannen vertrekken, naar het westerse, paradijselijke Paravion – maar de vlucht naar ‘vrijheid’ eindigt in het theehuis en in een confrontatie met hun ingebakken conservatisme; de extase die de mannen vinden in het eerder verdorven dan bucolische stadspark, mag er niet zijn. Intussen is de promiscuïteit tot het oude dorp doorgedrongen.Extase en vrijheidsdrang waren kernwoorden uit Bouazza’s schrijverschap. Die kregen gaandeweg ook een politieke dimensie: hij mengde zich, als ex-moslim, in het debat over de multiculturele samenleving, waarover hij geruchtmakende opiniestukken en columns schreef, ook voor NRC. Hij hekelde in furieuze donderpreken het maatschappelijke begrip voor migranten, waardoor Marokkaanse en Turkse gemeenschappen konden vasthouden aan vertrouwd conservatisme, en dus geen onderdeel werden van de Nederlandse samenleving. „Ik heb ooit gezegd dat de islam het slechtste is wat Nederland is overkomen. Ik denk dat de islam hier gewoon vruchtbare grond heeft gevonden en gewillige, onderkruiperige hoveniers”, schreef Bouazza in een openbare briefwisseling met Gerrit Komrij. „Geef mij een borrel – of een strop.”IslamkritiekHet werd de borrel: Bouazza mocht graag ontsnappen in het genot van de roes, vooral die van de absint – ooit het beruchte, hallucinant sterke drankje van bohémiens. Bouazza dronk op een gegeven moment een fles per dag. Zijn drankgebruik deed hem meermalen in kritieke toestand in het ziekenhuis belanden met levercirrose. Zijn romanproductie leed eronder. Na het succes van Paravion vertaalde en bloemleesde hij Arabische poëzie en erotica, waarmee hij de zinnelijke vrijheid van de aloude cultuur benadrukte: „Ik bewonder [de negende-eeuwse vrijdenker] al-Djaahiz om zijn uitgesprokenheid, zijn onbeschroomde omgang met obsceniteit. Zijn werk is een sterk pleidooi voor vrijheid van spreken en van gedrag.” Ook vertaalde Bouazza toneelteksten van Shakespeare, zoals Othello, dat hij tot multicultureel drama omwerkte – door Othello’s gewelddadige aard in de vertaling letterlijk toe te schrijven aan zijn Arabische achtergrond. Zo werd de islamkritische Bouazza steeds zichtbaarder, ook in de korte roman Spotvogel (2009), die wisselende kritieken kreeg. Maar ook de drinker Bouazza drong zich naar de voorgrond: een delirium van de drank, nota bene de schoonheid van dat delirium, inspireerde hem tot de roman Meriswin (2014). Een echte wederopstanding, zoals de literaire pers hoopte, werd het niet: nadien aangekondigde romans zagen niet meer het levenslicht. Hij was zijn „zelfdestructie kwijt”, zei hij, maar over stoppen met drinken piekerde Bouazza niet. Dan zou de rest van zijn leven in het teken staan van niet-drinken, zei hij in een tv-interview. „Ik vind een leven leiden met een onvervuld verlangen niet de moeite waard.” Bouazza overleed in een Amsterdams ziekenhuis en laat twee zoons na.

Lees ook het laatste NRC-interview met Bouazza: ‘Ik ben mijn zelfdestructie kwijt’

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *