Het begon met een kraakje




Dat had me nooit mogen overkomen. Ruim een jaar lang ontweek ik behendig elk coronarisico, de medemens hield ik streng op de vereiste afstand, braaf droeg ik mijn mondkapjes, of het hielp of niet – en opeens kreeg ik het gevoel dat ik tóch besmet was geraakt. Dat gevoel tintelde hinderlijk vóór in mijn neus en veroorzaakte opeens enkele niesbuien. Ik vloekte buitensmonds, en het is beter dat ik het vloekwoord hier niet herhaal. Het zelfverwijt was groot, want ik wist heel goed waar en waarom ik te veel risico had genomen. Het was begonnen met een kraakje in mijn vaste telefoonverbinding. Het klonk in het begin onschuldig, maar de frequentie nam zodanig toe dat de komst van een monteur gewenst was. Dat lijkt een eenvoudig haalbaar verlangen, maar onderschat het niet. Zulke monteurs werken vaak voor gigantische, bijna ondoordringbare bedrijven die hun bestaansrecht weliswaar ontlenen aan het begrip communicatie maar zelf zo min mogelijk rechtstreeks willen communiceren. Ze proberen je op hun website af te schepen met adviezen die je zelf online mag ontraadselen. Wie toch, heel ouderwets, telefonisch contact wil, moet lang zoeken naar het goede nummer. Als je dat eenmaal gevonden hebt, mag je op eigen kosten een poosje wachten tot er iemand opneemt die je omstandig gaat uitleggen dat je vanwege het hoge tarief beter helemaal geen monteur kunt laten komen. Daarna wordt het een kwestie van tandenknarsend doorzetten. Dus blijven herhalen: „Ik wil een monteur.” Minstens een week later belt zo’n monteur voor een afspraak, nadat hij je eerst nog even dringend heeft aangeraden om hem toch maar níét te laten komen. En daar stond hij dan, eindelijk, voor de deur. We lieten hem juichend binnen. Dat hij geen mondkapje droeg, vonden we vreemd, maar we vreesden dat we hem nooit meer zouden terugzien als we daar al te moeilijk over deden. Hijgend bewoog hij zich door ons huis, want hij had veel haast. Een tiental minuten deed hij een nogal wilde, rumoerige greep in de meterkast, daarna deelde hij ons mee dat het ondoenlijk was de precieze oorzaak snel op te sporen. We konden beter andere apparatuur aanschaffen. Kon ik even mijn laptop aanzetten? Dan zou hij me enkele prima apparaatjes aanwijzen. Terwijl ik op het scherm zocht, kwam hij te dicht achter me staan. Ik voelde zijn adem. Het virus kón denken: „Kaassie!” Op dat moment had ik „als door een adder gebeten” moeten verrijzen om hem de deur te wijzen. Maar in het besef dat dan alles tevergeefs was geweest, hield ik me in. Daar heb ik veel spijt van gekregen. De incubatietijd van corona is vijf, zes dagen, wat betekent dat je al die dagen overdreven gespitst bent op de beruchte verschijnselen. Elk kuchje, niesje en snuifje wordt verdacht, zozeer zelfs dat ik op de vijfde dag besloot me, samen met mijn vrouw, bij de GGD te laten testen. Liever het zekere dan het onzekere. We moesten onze tweede vaccinatie nog krijgen. Zouden we dan toch nog in het zicht van de finish struikelen? Geen klachten over de GGD. Je maakt er gemakkelijker een afspraak mee dan met zo’n telecommunicatiebedrijf. Binnen een etmaal was alles geregeld: de afspraak, de test én de uitslag. Ja, die was natuurlijk negatief, wat ons zeldzaam positief stemde, ook al bleef de telefoon kraken.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 17 mei 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *