Het jaar van 45 miljard: wat gebeurde er met het geld?




Met vele miljarden euro’s aan ondersteunt de overheid nu zowat een jaar het nationale bedrijfsleven. Bijna de helft van de bedrijven met twee of meer werknemers maakt inmiddels gebruik van de brede waaier aan financiële regelingen. Al die financiële steun houdt honderdduizenden zzp’ers en bedrijven overeind die ongekende omzetverliezen hebben geleden.
De Algemene Rekenkamer gaat er vanuit dat de overheid in 2020 en 2021 in totaal ruim 45 miljard euro aan coronasteun uitgeeft. Een groot deel gaat naar de tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW). In drie rondes ontvingen tot nog toe ruim 200.000 bedrijven een voorschot: het totaal benadert 15 miljard euro. Omdat de uitkering is gebaseerd op schattingen van ondernemers, moeten hiervan straks waarschijnlijk honderden miljoenen terugbetaald.
Het blijft overigens niet bij drie NOW-rondes. Uitkeringsinstantie UWV opende vorige maand loketten voor ondernemers die in het lopende kwartaal minstens 20 procent omzetverlies verwachten. Daarna volgt nog een vijfde ronde.
Het uitgekeerde bedrag aan NOW-voorschotten neemt intussen wel af. Dat geldt eigenlijk voor alle sectoren.

Van Randstad tot regio’s
Het zwaartepunt van de ontvangen steun in Nederland ligt in de Randstad. Niet alleen omdat de meeste bedrijven zich daar bevinden, maar ook omdat hard getroffen sectoren als horeca, handel en cultuur zich hier concentreren.
Toch past hier een nuance. Veel steun mag naar de Randstad gaan, de regio’s daarbuiten worden harder getroffen omdat ze economisch minder sterk zijn. Twee onderzoekers van de Rabobank, Otte Raspe en Rogier Aalders, schreven in juni vorig jaar: „Juist in de periferie van het land werkt de coronacrisis harder door. De regio’s in Limburg, Zeeland, Zuidoost-Noord-Brabant, maar ook Twente, de Achterhoek en delen van Friesland en Groningen lijken juist extra kwetsbaar.”
Niet alle financiële regelingen voor ondernemers zijn subsidies. Er staat ook een recordbedrag aan onbetaalde belastingen open. Momenteel staat de teller op 16 miljard euro, aangevraagd door zo’n 250.000 bedrijven (een jaar eerder was dat 1,3 miljard). Het zijn vooral de kleintjes die moeite hebben de fiscus te betalen: twee derde van de aanvragers is enig werknemer. Wel krijgen ondernemers 36 maanden de tijd om de belastingschuld te betalen, laat een woordvoerder van de Belastingdienst weten.
Ook faciliteert de overheid leningen tegen gunstige voorwaarden, zoals lage rentes en lange aflostermijnen. Via de uitgebreide ‘coronavarianten’ van de Borgstelling MKB-kredieten (BKMB-C), de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO-C) en het Borgstellingskrediet voor de Landbouw (BL-C) kunnen bedrijven een overbruggingskrediet aanvragen. De overheid staat hierbij deels garant en is ruimhartiger. Zo neemt de staat 80 tot 90 procent van het risico over bij de GO-C en driekwart bij de BMBK-C. Bij beide regelingen is dat gewoonlijk slechts de helft.
Voor kleine leningen, tot 50.000 euro, bestaat de KKC-regeling (Klein Krediet Corona). Hierbij staat de overheid garant tot 95 procent. Populair is die regeling overigens niet. Nog geen 20 procent van de 250 miljoen euro aan beschikbare garantie is benut. Dat komt volgens Lodewijk van der Vegt, programmacoördinator bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), mede omdat bedrijven zich eerst wenden tot een subsidieregeling. „Pas als je dan onder aan de streep nog steeds rood staat, vraag je een lening aan.”
Lenen zonder winstoogmerk
Bij de regelingen voor kleinere bedrijven speelt nog iets anders mee, zegt André Dolsma, commercieel directeur bij kredietverlener Qredits. Banken vinden lenen aan kleine bedrijven vaak riskant en veel werk, waardoor het rendement laag ligt. „We zien dat het afgelopen decennium, mede door de kredietcrisis, de aversie van banken jegens risico’s erg is toegenomen. De regels zijn strenger geworden, onder meer vanuit de EU. Banken laten daarom het kleinbedrijf los: het is te duur en past er niet meer bij. Ook zijn ze veel kritischer gaan kijken naar sectoren als horeca en detailhandel. En dat zien we in de coronacrisis heel duidelijk terugkomen.”
Qredits, een stichting zonder winstoogmerk, werd in 2009 opgericht met steun van diverse banken en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Startende en kleine ondernemers die niet bij een bank terecht kunnen, kunnen hier tot 250.000 euro lenen. Voor een overbruggingskrediet, ingevoerd na de coronacrisis, van maximaal 25.000 euro geldt in het eerste jaar een rente van 2 procent: lager dan gangbaar. In 2019 verstrekte Qredits leningen aan zo’n 5.000 ondernemers. Dit was een jaar later 20 procent meer.
Om te voorkomen dat ‘zombiebedrijven’ via soepele leningen een onvermijdelijk bankroet voor zich uit blijven schuiven, moet een bedrijf al vóór de coronacrisis levensvatbaar zijn gebleken. „Maar”, zegt Van der Vegt, „iedere kredietverlener werd in het begin overvallen. Er zullen incidentele gevallen zijn waaraan een lening beter niet had kunnen worden gegeven.”
Qredits honoreerde vorig jaar meer dan de helft van de aanvragen voor coronaoverbruggingskrediet. „Normaal is dat ongeveer 30 à 35 procent. Dat komt omdat het nu vaker bestaande ondernemingen zijn die extra krediet willen”, legt Dolsma uit.
Hij wil niet uitsluiten dat ook kredietwaardig geachte bedrijven straks toch ten onder gaan. „Nu de lockdown langer duurt dan we een paar maanden geleden dachten, wordt de schuldenproblematiek groter. Er zal vast een bedrijf tussen zitten dat het daarom alsnog niet redt.”

Steun naar levensvatbaren
De meeste coronasteun lijkt niettemin op de juiste plekken te zijn terechtgekomen. Dat was althans de conclusie van een eerste onderzoek hiernaar, dat afgelopen januari in economenblad ESB verscheen. De onderzoekers vroegen hiervoor aan 1.151 bedrijven, allemaal klant bij de Rabobank, in oktober en november 2020 of ze coronasteun ontvingen, naar hun omzetverwachting voor de komende twaalf maanden, en hun managementpraktijken.
Hieruit bleek dat de steun significant vaker naar bedrijven is gegaan met lage omzetverwachtingen en grote omzetonzekerheid, én naar de beter gerunde bedrijven. Al met al betekent dit, aldus de onderzoekers, dat de meeste steun waarschijnlijk bij levensvatbare bedrijven terechtkomt – in lijn met de geest van de steunmaatregelen.
Een andere vraag bleef hierbij overigens onbeantwoord: als er zo weinig faillissementen zijn, dan móét de coronasteun nu toch zombiebedrijven overeind houden? Rabobankonderzoeker Sjoerd Hardeman: „Dat hebben we niet onderzocht, en is ook heel moeilijk te meten. Het is wel interessant om verder te kijken naar waaróm de beter gerunde bedrijven vaker steun ontvangen.”
Mede-onderzoeker Jesse Groenewegen benadrukt dat de studie alleen de eerste twee steunrondes beslaat. „De verwachtingen waren anders wel nog wat negatiever geweest.” Ondernemers moeten nu immers al een jaar lang steeds hun prognoses aanpassen, omdat er weer een lockdown begon of werd verlengd. „Ik denk niet dat de situatie waarin we nu zitten in oktober en november werd voorzien.”
Of bedrijven hun omzetverlies goed hebben ingeschat, zal moeten blijken uit de definitieve jaarrapportages. Deze week liet het UWV al weten dat de eerste 20.500 gecontroleerde bedrijven met steun uit de eerste NOW-ronde samen zo’n 291 miljoen euro moeten terugbetalen.
Het terugbetalen van te veel ontvangen steun zal nog lang duren. De 140.000 bedrijven die in de eerste NOW-ronde steun ontvingen, hebben tot november 2021 de tijd om hun omzet over het voorbije jaar te melden. Voor de tweede ronde ligt dat alweer een jaar later.
Ongetwijfeld zullen veel ondernemingen gebruik willen maken van verruimde betalingsregelingen. Belastingschulden en extra leningen zullen daardoor de komende jaren zwaar op de balans drukken. Door een tekort aan liquiditeit zal menig ondernemer bovendien extra moeten lenen als de economie weer ‘opengaat’ en voorraden moeten worden aangevuld en betalingsachterstanden ingelopen.
Dolsma en Van der Vegt verwachten nog wel het hele jaar coronakredieten te verstrekken respectievelijk te moeten garanderen. „Wij houden rekening met een sterke toename, zodra de herstelfase ingaat”, zegt Van der Vegt van RVO. „Daar willen we op voorbereid zijn.”
Een ondernemer krijgt coronasteun: hoe verloopt dat?
Een uitbater van een danscafé in een studentenstad – die niet met zijn naam in de krant wil – draaide voor de coronacrisis een jaaromzet van zo’n 400.000 euro. De afgelopen 12 maanden was de eenmanszaak echter slechts 4 maanden open. Met toestemming van de gemeente mocht het café vorig jaar een klein terras openen, waardoor het nog een omzet van 170.000 euro maakte in 2020. De omzet in 2021 bedraagt vooralsnog 0 euro.
De cafébaas heeft nu de volgende schulden:
– Een al bestaande lening bij de bank van 35.000 euro
– Een overbruggingskrediet bij Qredits van 25.000 euro
– Uitgestelde belastingen van 15.000 euro
– Achterstand huur en crediteuren van 14.000 euro
André Dolsma, commercieel directeur bij Qredits, over het lange termijneffect voor deze horecaondernemer:
„Bij een aflossing van 4 jaar moet de ondernemer jaarlijks ruim 27.000 euro aflossen. Dit betekent dat het bedrijf na Corona snel weer op het oude omzet- en winstniveau moet komen om überhaupt de lasten te kunnen voldoen. Het kan daarom de komende vier jaren geen buffers opbouwen, of investeren in het bedrijf. Ook zal het niet in staat zijn om reserveringen te maken voor ‘normale’ ondernemersrisico’s. De komende vier jaar wordt het geconfronteerd met de nasleep van de pandemie en zal het bedrijfseconomisch kwetsbaar zijn.”

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *