Het ‘pestland’ van J.C. Bloem

Het ‘pestland’ van J.C. Bloem

[ad_1]


Het was toeval dat ik in deze meidagen de biografie Van alle dingen los – Het leven van J.C Bloem door Bart Slijper zat te lezen. Het boek dateert van 2007 en ik had het tot dusver alleen fragmentarisch gelezen. Ik dacht destijds dat ik dankzij Leven met J.C Bloem, de memoires uit 1977 van zijn vrouw Clara Eggink, en andere publicaties al genoeg van Bloems leven wist. Ook al schreef Eggink er in haar boek weinig over, het was bekend dat Bloem er reactionair-politieke opvattingen op na had gehouden en dat hij zelfs een poosje lid was geweest van de NSB. Op 30 april 1933 schrijft hij aan zijn vriend Jan Greshoff: „Ik ben sinds enkele dagen nazi, zij het ook Nederlandsch.” Bloem had vooral een aversie tegen democratie en socialisme.Hij heeft in de loop van 1933 ook een gesprek gehad met NSB-leider Anton Mussert. Dat werd een teleurstellende ervaring voor Bloem, die na afloop tegen Eggink zei: „Die vent weet geeneens wie Maurras is.” De door Bloem bewonderde Charles Maurras was de leider van de nationalistische reactionaire beweging Action Française en werd later wegens collaboratie veroordeeld. Ik was vergeten dat Bloem zich ook sterk antisemitisch heeft geuit, iets wat hoogleraar A.L. Sötemann al in 1979 in zijn Vier opstellen over J.C. Bloem constateerde. Sötemann liet het bij een korte vermelding, maar Slijper geeft in zijn boeiende boek een aantal schrijnende voorbeelden. Aan schrijver Herman Robbers schrijft Bloem in 1923 dat binnen ‘de democratie’ niets ondernomen wordt „tegen het ongrijpbare, migratoire internationale zwendelgeld (waarbij de Joden door hun gewiekstheid en gewetenloosheid zoo’n groote rol spelen)”. Een jaar later schrijft hij aan J.W.F. Werumeus Buning: „Ik ben tegen elken Jood, wien dan ook.”Tegen Jan Engelman rept hij in 1930 van een vernederende democratie, waarin socialistische arbeiders door hun leiders worden opgezet tegen hun werkgevers, waardoor zij worden „opgeofferd aan het vuilste kapitalisme, dat er is, dat van den modernen Joodschen zwendelaar”. In 1934 – hij blijft zijn opvattingen lang trouw – klaagt hij dat hij geen baantje krijgt. „Dat gaat naar de Joden. Maar daar mag je als ‘intellectueel’ in dit pestland niets van zeggen.”Kennelijk bestond er toen al zoiets als ‘ongehoord Nederland’.Slijper wijst er, evenals Sötemann, terecht op dat die uitgesproken afkeer van Joden in de jaren twintig wijd verbreid was. Hij geeft als voorbeeld een citaat uit een brief van Jany Roland Holst aan H. Marsman waarin de dichter zich verheugd toont dat het hoogseizoen in Bergen met veel Joodse bezoekers uit Amsterdam voorbij is: „Ik dank de heldere goden van mijn ras, dat het jaargetij van de joden-met-Schillerkragen is weggewaaid.” Toch blijven dergelijke citaten ook bijna een eeuw later pijn doen, juist ook doordat de gruwelen die uit deze afkeer en haat zijn voortgevloeid, nog elk jaar in de herinnering moeten worden teruggeroepen. Het lijkt wel alsof dát nooit voorgoed voorbijgaat. Moeten we nu maar geen gedichten van Bloem meer lezen, of van Lucebert, die andere dichtervorst, die in zijn jonge jaren aperte antisemitische opvattingen bleek te hebben gekoesterd? Dat zou ik niet graag bepleiten. Goede kunstenaars moeten altijd geëerd blijven, als kunstenaar welteverstaan.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 5 mei 2021

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *