Mythische tsunami op de Noordzee




Storegga. Het is een naam die vaak genoemd wordt in één adem met Doggerland. Een naam met een mythische bijklank, de ‘Grote Rand’, vrij uit het Noors vertaald. Storegga was een onderzeese landverschuiving. Sterker: een drieluik van landverschuivingen, vlak achter elkaar, zo’n 8.200 jaar geleden, voor de kust van Noorwegen. Daardoor werd zoveel sediment verplaatst dat er een tsunami ontstond in de noordelijke Atlantische Oceaan. Misschien was die tsunami wel het laatste zetje voor de verdwijning van Doggerland.

Lees ook over de oplevende archeologische interesse voor Doggerland: Ons Atlantis: een paradijs dat in de Noordzee verdween

Waar de beschaving van Doggerland een ingewikkelde puzzel is voor archeologen – wie leefden er, waar en wanneer? – breken geologen zich het hoofd over een ander stukje van het mysterie: de precieze invloed van de Storegga-verschuiving en de tsunami. Hoe ver zuidelijk kwam die tsunami? En woonden er toen überhaupt nog wel mensen in het gebied?
Stein Bondevik doet al decennia onderzoek naar de gevolgen van de Storegga-verschuiving. Hij is geofysicus aan de hogeschool in Sogndal. „Al begin jaren zeventig kwamen geologen op basis van dieptemetingen en seismische gegevens restanten van een onderzeese landverschuiving op het spoor, zo’n honderd kilometer uit de kust van Midden-Noorwegen”, vertelt hij aan de telefoon. „Maar pas toen de olie-industrie er tien jaar later in meer detail onderzoek naar ging doen, bleek hoe groot de verschuiving daadwerkelijk was.”
Kokerbeitel van runderbeen, opgevist bij de Engelse Banken (14 cm; 9000-6000 v.Chr.). Foto uit Doggerland – Verdwenen wereld in de Noordzee
Tijdens een expeditie met een onderzoeksschip zagen de petroleumgeologen een ‘litteken’ van 290 kilometer lengte in de zeebodem: de bovengrens van het verschoven sedimentpakket. In totaal kwam naar schatting drie- tot vijfduizend km3 aan bodemmateriaal in beweging – en daarmee is de Storegga-verschuiving een van de omvangrijkste in zijn soort. Naar schatting zou de hoeveelheid bodemmateriaal van de landverschuiving voldoende zijn om heel Schotland onder een metersdikke laag sediment te bedelven. Bondevik: „Het ging om een retrogressive slide. Daarbij begint eerst sediment onderaan de helling te verschuiven, en daardoor wordt het geheel zo instabiel dat het gedeelte erboven ook instort.” De landverschuiving was aan de rand van het continentaal plat, zo’n tweehonderd meter onder water. „Vanaf daar kon het sediment de diepzee inglijden, tot zo’n drieduizend meter diep”, zegt Bondevik.
Schuivende zeebodem
De olie-industrie was zo geïnteresseerd in Storegga, omdat ze in het gebied naar olie gingen boren, en wilden uitsluiten dat er nog meer zeebodem zou gaan schuiven. „Het opmerkelijke van de Storegga-landslide is dat die plaatsvond in heel vlak terrein”, zegt Bondevik. „In sommige delen bedroeg de hellingshoek tien graden, in andere minder dan één. Die ene graad is vergelijkbaar met de helling in een voetbalveld: daar moet het midden net iets hoger liggen dan de buitenrand, zodat het niet te nat wordt na een regenbui. Iedereen die wel eens een voetbalveld gezien heeft, weet: één graad is nagenoeg niets.”
Vermoedelijk lag de oorzaak in een combinatie van gebeurtenissen: na de laatste ijstijd was er door het smelten van het ijs een hoop los sediment onder water afgezet, dat door een zeebeving of een uitbarsting van een moddervulkaan in beweging kon worden gezet. Bondevik: „De precieze oorzaak weten we niet, maar de olie-industrie was gerustgesteld. Want op dit moment is er bij lange na niet voldoende sediment in het gebied om weer een slide te veroorzaken.”
Destijds zorgden de drie verschuivingen voor een tsunami die plaatselijk zo krachtig was dat er in Noorwegen en Schotland volop sporen van terug te vinden zijn. Dat kunnen afwijkende lagen in de bodem zijn – tsunami’s zorgen vaak voor zogeheten cross-bedding, waarbij sediment in schuine lagen wordt afgezet – maar ook fragmenten van meegesleurde planten. Zo zijn er in meren in het Noorse binnenland mariene diatomeeën gevonden, algen met een kiezelskelet, die daar alleen terecht kunnen zijn gekomen door een golf (of meerdere golven) van minstens tien meter boven de toenmalige zeespiegel.
Zes meter hoge golven
Langs de Schotse oostkust waren de golven tenminste zes meter hoog, blijkt uit afzettingen. „En computermodellen geven plaatselijk in de Noorse fjorden zelfs een run-up van wel veertig meter boven zeespiegel aan”, zegt Bondevik. „In diverse afzettingen hebben we een bepaald mos gevonden, Hylocomium splendens. Dat mos heeft een specifieke groeicyclus gedurende het jaar, en aan de hand van de fragmenten in de afzettingen blijkt dat de tsunami toesloeg tussen oktober en december.”
Aanvankelijk werd vermoed dat er tussen de drie fasen van de landverschuiving misschien wel honderden of zelfs duizenden jaren zaten. „Maar daar zijn geologen van teruggekomen, want alleen gecombineerd kunnen ze voor zo’n enorme muur van water hebben gezorgd.”
In Schotland en Noorwegen zijn de gevolgen van Storegga dus vrij nauwkeurig te reconstrueren. Maar voor Doggerland ligt dat een stuk ingewikkelder, en dat heeft diverse oorzaken. Allereerst speelt mee dat Storegga niet de enige factor van belang was in het einde van Doggerland.
De landverschuiving en de tsunami waren slechts de sluitstukken in een langlopend verhaal, vertelt Bernhard Weninger van de universiteit van Keulen, verbonden aan het Instituut voor Prehistorie en Vroege Geschiedenis. In 2008 bepaalde hij op basis van C14-datering de ouderdom van de Storegga-afzettingen, en kwam uit op een ouderdom tussen de 8.100 en 8.200 jaar. Dat strookte met eerdere vermoedens, en kwam overeen met de geschatte periode waarin Doggerland onder water verdween.

Eeuwen voor de tsunami was er al een andere catastrofe

„Maar er was in de eeuwen daarvoor al veel meer aan de hand”, zegt Weninger. „De zeespiegel was sinds het einde van de ijstijd wereldwijd al aan het stijgen door het smelten van het ijs.” En dan vond er, waarschijnlijk enkele eeuwen vóór de Storegga-slide, ook nog eens een catastrofale gebeurtenis plaats door het leeglopen van het reusachtige gletsjermeer Lake Agassiz in Noord-Amerika. Weninger: „Daardoor stroomde er opeens een enórme hoeveelheid zoetwater de oceaan in. Je kunt er kortom van uitgaan dat de jagers-verzamelaars die nog rondliepen in Doggerland allang natte voeten hadden voor de tsunami kwam. De kustlijn was drassig door de hoge grondwaterstand.”
Daarnaast is het de vraag hoe hoog de tsunami zélf eigenlijk kwam langs de kustlijn van Doggerland. Want uit Noorwegen en Schotland zijn weliswaar metershoge afzettingen bekend, maar uit de zuidelijke Noordzee (waartoe Doggerland behoorde) waren tot kort geleden nog nooit tsunami-afzettingen gevonden. „De vraag rees of de tsunami nog wel genoeg energie zou hebben gehad om afzettingen te creëren in dat deel van de Noordzee, of dat de meeste energie al was weggesijpeld”, vertelt Marc Hijma van Deltares. Hij promoveerde in 2009 op zeespiegelstijging in het zuidelijke Noordzeegebied tussen tien- en zesduizend jaar geleden.
Als gevolg van sterke ijssmelt en bodemdaling steeg de zeespiegel voor de Nederlandse kust destijds gemiddeld één centimeter per jaar, met name rond de tijd van het leeglopen van Lake Agassiz. Maar ook de tsunami liet waarschijnlijk zijn sporen na. „Voor mijn proefschrift heb ik onder andere gekeken in een Rotterdamse bouwput die toen open lag voor de aanleg van de Randstad Rail. Daarin was te zien dat er ruim achtduizend jaar geleden een flinke zoutwaterpuls het land binnenkwam. Dat duidt op een grote storm of – en dat is waarschijnlijker – op de Storegga-tsunami. In dat geval is de uitrollende tsunami dus behoorlijk zuidelijk gekomen.”
Stenen en gebroken schelpen
Hetzelfde beeld komt naar voren uit een publicatie in Geosciences in 2020, waarin Britse wetenschappers voor het eerst boringen uit de zuidelijke Noordzee beschrijven waarin duidelijk ‘tsunami-achtige’ afzettingen werden aangetroffen, met stenen en gebroken schelpen.
Eén van die onderzoekers was de Schotse aardwetenschapper Richard Bates van de universiteit van St Andrews. Hij is co-auteur van een artikel dat eind 2020 in het tijdschrift Antiquity verscheen, en waarin wordt betoogd dat de Storegga-tsunami veel minder catastrofaal was dan gedacht, en vooral op lokale schaal invloed had. „Als het over Doggerland gaat, heb je algauw een enorm uitgestrekte landmassa voor ogen”, zegt Bates aan de telefoon. „Maar door de geleidelijke zeespiegelstijging in de eeuwen ervoor bevond zich nog maar een deel van Doggerland boven water ten tijde van de tsunami. Het was een eilandenrijk in plaats van een aaneengesloten land. De Doggerarchipel zou een toepasselijker naam zijn.”

Ook Hijma benadrukt dat Doggerland destijds een relatief klein land was. „Net zo groot als Friesland en Groningen samen, meer niet. Maar echt hoog was het ook niet – hooguit tien meter boven de zeespiegel – dus de golf kan alsnog flink hebben huisgehouden.” Samen met Kim Cohen van de Universiteit Utrecht en het Rijksmuseum voor Oudheden ontwierp Hijma nieuwe kaarten voor een tentoonstelling over Doggerland. „Een van de moeilijkheden was het reconstrueren van de paleo-bathymetrie, de vroegere topografie van de zeebodem. De zeebodem is de afgelopen millennia meters gedaald, door een combinatie van glacio-isostasie – het bewegen van de aardbodem in reactie op de laatste ijstijd – en tektoniek. En er zijn allerlei zandbanken bijgekomen. De Noordzeebodem nu ziet er kortom heel anders uit dan ten tijde van Storegga.”
Het achterhalen van die paleo-bathymetrie bemoeilijkt een betrouwbare reconstructie van het verloop van de tsunami, zegt ook geofysicus Jon Hill van het Imperial College Londen. Opvallend genoeg publiceerde Hill in 2014 nog een artikel in Ocean Modelling waarin stond dat de Storegga-tsunami catastrofale gevolgen zou hebben gehad voor de eilandbewoners, maar stelde hij die mening in 2017 op basis van nieuwere simulaties bij.
„Aanvankelijk hadden we een grootschalig model, dat het hele gebied tussen Noorwegen, Groenland en Nederland bestreek. Daarin speelden factoren als vegetatie en bathymetrie eigenlijk geen rol. Het model uit 2017 was wat dat betreft veel gedetailleerder.” Uit die latere simulatie bleek dat de tsunami alleen aan de noordkant van Doggerland invloed zou hebben gehad, en dus niet het hele eiland zal hebben overspoeld. „Als het tijdens de tsunami eb was, dan zal de golf hooguit op een snelle springvloed hebben geleken. In het geval van vloed zal de invloed van de tsunami groter zijn geweest.”
Slagen om de arm
Toch blijft Hill slagen om de arm houden. „Als je de paleo-bathymetrie verkeerd hebt, dan is de kans aanzienlijk dat je de invloed van de tsunami onder- of juist overschat. Totdat we in meer detail de vroegere zeebodem rond Doggerland hebben gereconstrueerd, blijft het gissen.”
En dan is er tot slot natuurlijk nog de vraag of er überhaupt nog mensen op Doggerland woonden ten tijde van de tsunami. Daarover lopen de meningen uiteen. Tot nu toe zijn er slechts twee locaties bekend waar Storegga-afzettingen direct boven op een Mesolitische vindplaats liggen, en waar een direct verband tussen die twee aannemelijk is. „Dat kunnen er natuurlijk veel meer zijn”, zegt Bates. Bondevik vult aan: „Van recente tsunami’s – zoals die in Japan in 2011 – weten we ook dat er op veel plekken helemaal geen afzettingen zijn terug te vinden, terwijl de golf daar wél is geweest.” Bates: „Maar het zet je wel aan het denken. Waren er destijds wel zoveel nederzettingen langs de kust? Jagers-verzamelaars waren niet honkvast, dus misschien waren ze allang weggetrokken toen de kustgebieden natter werden.”
„Er is heel veel wat we nog niet begrijpen, maar we blijven de gevolgen van Storegga met veel interesse bestuderen”, zegt Jon Hill. „Want de kans op nieuwe tsunami’s in de Atlantische Oceaan is reëel. Ook met het smelten van de Groenlandse ijskap komt er een hoop sediment in de oceaan terecht. Doggerland is al verdwenen, maar er is nog veel ander laagliggend kustgebied. Dat weten jullie in Nederland maar al te goed.”

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *