Nederland zet Soedanese asielzoekers uit die gemarteld worden – hoe kan dit?




In een gekraakt Amsterdams kantoortje neemt Rudwan een flinke trek van een joint. „Dit heb ik zo gemist”, zegt de 29-jarige Soedanese asielzoeker, die met cannabis zijn hoofd leegmaakt. Een dag eerder, op 25 maart 2019, werd hij na bijna zes maanden vreemdelingendetentie plotseling vrijgelaten. Eenmaal op Rotterdam Centraal was hij uitgelaten, vol ongeloof dat hij niet was uitgezet, van perron naar perron gesprint. In detentie had Rudwan van een bezoeker gehoord dat de beruchte Soedanese veiligheidsdienst NISS een twee maanden eerder teruggestuurde landgenoot bij aankomst had mishandeld. Hij was doodsbang geweest dat hem hetzelfde zou overkomen. In 2015 had de veiligheidsdienst hem al eens gemarteld, zegt hij. Toen zou Rudwan hebben vastgezeten, omdat hij genoemd werd in een kritisch krantenartikel over de Janjaweed, een aan de overheid gelieerde militie. Het was de reden dat hij Soedan ontvluchtte. In Detentiecentrum Rotterdam hielden herinneringen aan die martelsessies hem uit zijn slaap, zegt hij. Beelden van NISS’ers die hem via een katrol omhoog takelden en sloegen, flitsten voorbij: zijn benen en armen gebonden aan een stok langs zijn knie- en elleboogholtes.„Ya this is Ayoub, welcome brother!”, roept iemand, als een gedrongen jongen de Amsterdamse kantoorruimte, die Rudwan deelt met tientallen andere Afrikanen zonder verblijfsvergunning, binnenstapt. Rudwans celgenoot in Rotterdam is ook plotseling vrijgelaten. Hij geeft als in trance iedereen een boks en gaat zitten op het enige bed. Een vriend omarmt hem.

Lees hier meer over NRC’s onderzoek naar de Soedanese ambassade: Oud-ambassadeur Soedan gelinkt aan terreurzaak VS

Ayoubs schouders beginnen te schokken. „Ik heb helemaal niets gedaan”, snikt hij. „Waarom hebben ze mij zes maanden opgesloten?”Opstand tegen de presidentRudwan, Ayoub en drie andere Soedanese asielzoekers werden begin 2019 bijna naar hun geboorteland teruggestuurd. Hun uitzettingen gingen niet door, omdat een opstand tegen toenmalig president Omar al-Bashir Soedan in zijn greep kreeg, waarna niemand meer is teruggestuurd. Het uitzetten van uitgeprocedeerde Soedanezen is omstreden. Al zeker zeven jaar zijn er sterke aanwijzingen dat de veiligheidsdienst NISS uitgezette Soedanese asielzoekers vastzet, mishandelt of martelt. Uit eind januari gepubliceerd onderzoek van NRC bleek dat het ministerie van Justitie en Veiligheid in 2014 en 2018 forensische rapporten en littekenfoto’s, die de verhalen van twee van hen staafden, van tafel veegde en het beleid ongewijzigd liet. Op Kamervragen over het onderzoek zei demissionair staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Asiel en Migratie, VVD) niet te weten hoeveel door Nederland uitgezette asielzoekers NISS heeft vastgezet. Het asielbeleid, verdedigde de staatssecretaris zich, berust op „een goed doorlopen procedure en zorgvuldige besluitvorming”. Als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) oordeelt dat een asielzoeker geen verblijfsrecht heeft en een rechter geeft de dienst gelijk, dan loopt hij geen reëel risico op mensenrechtenschendingen bij terugkeer, is de redenering.

Foto Merlin Daleman

Klopt dat wel? Hoe kan het dat Nederland Soedanezen uitzet die vervolgens mishandeld worden? Afgewezen asielzoekers gaan door drie fases: de asielaanvraag, de rechtsgang en dan soms uitzetdetentie. Inzoomend op Soedanese zaken achterhaalde NRC knelpunten in elk van die stappen, op basis van via de Wet openbaarheid bestuur verkregen documentatie van Justitie, (overheids)rapporten en gesprekken met 45 betrokkenen zoals Soedanese asielzoekers, migratierechtexperts en (oud-)medewerkers van de Soedanese en Nederlandse ministeries van Buitenlandse Zaken. Asielprocedure – tegenbewijs heeft geen nutZe sloegen en schopten hem, zetten tangen op zijn borst, gooiden koud water over zijn naakte lichaam, elektrocuteerden zijn rug en probeerden hem te verkrachten. Het is 11 november 2011 en Omar vertelt de IND in detail waarom hij naar Nederland is gevlucht. De Janjaweed-militie, de belangrijkste uitvoerder van de Soedanese genocide, had zijn dorp in Darfur platgebrand, zegt hij. Hij werd opgepakt en een maand mishandeld. Omar laat de IND’er littekens op zijn armen, borst en rug zien. De ambtenaar heeft er amper oog voor, herinnert de 35-jarige schaapsherder zich later. Hij wil weten of de papierloze Omar is wie hij zegt te zijn. Komt hij echt uit Darfur? Voor asielzoekers uit die regio hanteert Nederland een ruimhartig asielbeleid, behalve als zij een half jaar of langer in een ‘veilig’ deel van Soedan woonden. Omar is mogelijk al sinds zijn tienerjaren weg uit de westelijke regio, zegt een IND-linguïst: uit zijn uitspraak zijn „de scherpe kantjes van het Darfur-Arabisch grotendeels verdwenen”.

Soedan Huidige situatie

Het nieuwste landenbericht Soedan geeft geen uitsluitsel over het huidige risico op mensenrechtenschendingen na terugkeer. Soedan heeft sinds de zomer van 2019 een overgangsregering, die de macht van de veiligheidsdienst NISS heeft ingeperkt. Of zij terugkeerders nog steeds vastzet en martelt, is onduidelijk.
De Janjaweed-militie is opgegaan in een paramilitaire legereenheid, dit jaar betrokken bij geweldsincidenten die zeker driehonderd mensen het leven kostten. De Raad van State houdt in juli zitting om duidelijkheid te krijgen over de actuele risico’s van uitzetting.
Omar probeert vergeefs via stamgenoten te bewijzen dat hij wél direct uit Darfur komt en procedeert vervolgens jarenlang. In 2017 schakelt hij met hulp van een stichting eigen deskundigen in. Soedan-expert Peter Verney concludeert dat zijn taalgebruik „gemakkelijk” past in Zuid-Darfur, dat voor de beweringen van de IND-linguïst „geen enkele basis” bestaat. Twee taalexperts onderschrijven Verneys analyse: de IND is „onmogelijk te volgen” en zijn conclusie is niet te rechtvaardigen door de taalwetenschap. Al sinds 2015 zeggen academici dat de dienst te vergaande conclusies trekt uit zijn taalanalyses. Volgens de IND worden die alleen „als aanvullend instrument” ingezet om iemand tegemoet te komen als over diens afkomst sterke twijfels bestaan.Andere experts scharen zich achter Omar. Het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) concludeert dat zijn littekens „zeer consistent” zijn met zijn martelrelaas en dat Omar een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft. De „voortslepende” asielprocedure heeft bovendien zijn problemen verergerd. Een psychiater behandelt Omar, die ’s nachts stemmen hoort van de kermende mannen met wie hij opgesloten zat; het gevolg van onverwerkt trauma, aldus het iMMO. Toch blijft de IND bij haar standpunt. Een interne werkinstructie schrijft voor dat medewerkers „niet toekomen” aan de vraag of asielzoekers bescherming verdienen als hun nationaliteit niet aannemelijk is, omdat dan onduidelijk is aan welk land hun verhaal getoetst moet worden. Oftewel, als de IND denkt dat iemand liegt over zijn afkomst, dan is ander bewijs aanvoeren nagenoeg nutteloos. Het iMMO zegt zelfs geen onderzoek meer te doen als de nationaliteit niet geloofd wordt; hoezeer psychische klachten en littekens ook het gevolg lijken van geweld, de IND negeert medische rapporten dan toch. De dienst verdedigt de „op wet- en regelgeving” gebaseerde werkinstructie. „Veel, zo niet de meeste” asielzoekers maken ook zonder papieren hun afkomst geloofwaardig en letsel zegt weinig over de dader en dus over terugkeerrisico’s, zegt de IND. De dienst negeert ook de experts die ingaan op Omars afkomst. Dat hij Soedanees-Arabisch spreekt, betekent volgens de IND niet dat hij de Soedanese nationaliteit heeft. Verneys kritiek noemt de dienst irrelevant omdat hij geen linguïst is en de twee taalexperts die Verney steunen, spraken Omar niet zelf. Het is een patroon, niet alleen bij de Soedanese zaken die NRC onderzocht, ook bij andere ingewikkelde gevallen. Mensenrechtenorganisatie Amnesty International concludeerde eind 2020 na een analyse van ruim vijftig asielzaken dat de IND, ongeacht het tegenbewijs, nagenoeg nooit van standpunt verandert als ze de asielzoekers nationaliteit of identiteit niet gelooft. De dienst spreekt dit tegen, maar gaat vooralsnog niet op Amnesty’s bevindingen in.

Lees hier meer over uitzettingen naar Soedan en de aanwijzingen van marteling door de NISS

Rechtsgang – de terughoudende toetsHet is 12 maart 2019, twee weken voordat Rudwan ineens vrijkomt. In een Utrechts rechtszaaltje probeert asieladvocaat Hans Langenberg de dan nog naderende uitzetting te stoppen. Terugkeer is levensgevaarlijk, zegt hij. In 2015 belandde Rudwan na een Janjaweed-aanval in het ziekenhuis, waar een krant zijn ervaringen optekende. Een half jaar later arresteerde en martelde de veiligheidsdienst NISS hem, waarna hij zou zijn ontsnapt. Het bewijs? Een kogelwond, tien hechtingstrepen en littekens op zijn enkels en knieën. Een ongeloofwaardig verhaal, vond de IND, die documentatie wilde. Een ongedateerde ziekenhuisregistratie was onvoldoende. Het artikel vond Rudwan niet terug. En dus wijst Langenberg op de in 2017 uitgezette Samoal, die de NISS dertien dagen zou hebben gemarteld. Een verhaal dat medische rapportages van het iMMO en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) staafden. Volgens Langenberg is de kans groot dat de NISS Rudwan óók martelt. Maar de rechter weegt Samoals relaas niet mee. In het ‘landenbericht’ waaraan de IND en rechters Soedanese asielverhalen toetsen, nam Buitenlandse Zaken het IND-oordeel over dat Samoals marteling onbewezen was. De rechter wijst Rudwans verzoek om littekenonderzoek af; hij mag uitgezet worden. Dat de asielrechter de IND volgt, komt omdat rechters asielverzoeken niet herbeoordelen, maar alleen bepalen of de dienst zorgvuldig beslist. De gedachte achter deze ‘terughoudende toets’ is dat de IND als enige de aanvragen ziet die wél slagen en daarom bij uitstek deskundig is op de geloofwaardigheid van asielzoekers. Volgens Karen Geertsema, die aan de Vrije Universiteit in Amsterdam promoveerde op de asieltoets, is het gevolg dat rechters zelden zaken terugsturen naar de IND, ook als extra onderzoek nodig lijkt. Bijna nooit roepen zij getuigen of deskundigen op als asielzoekers experts inzetten die de dienst tegenspreken. Doen ze dat wel, dan fluit de Raad van State hen veelal terug. Het is net als bij de Toeslagenaffaire, zegt Geertsema: de Raad keurt jarenlang de strikte overheidslijn goed „zonder in individuele gevallen bewijs te accepteren”. Onlangs werkten Geertsema en zeven collega’s die vergelijking uit: in beide gevallen gaat het om „geïnstitutionaliseerd wantrouwen ten aanzien van een kwetsbare groep en een bestuur dat te weinig oog heeft voor de menselijke maat en constant de politieke boodschap hoort dat het beleid restrictief moet zijn”. In Nederland, zegt Geertsema, „betekent ‘eenmaal ongeloofwaardig bevonden’ vaak ‘altijd ongeloofwaardig’”. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft „permanent signalen” af dat de Nederlandse rechtspraak „te formalistisch” is, zegt Willem van Bennekom. Volgens de voormalige vicevoorzitter van de rechtbank Amsterdam stelt het Hof niet alleen de geloofwaardigheid centraal, maar ook het risico op mensenrechtenschendingen na uitzetting – en daarmee hoe het thuisland de asielzoeker ziet. De IND en rechters oordelen volgens hem strenger dan het Hof, hechten te veel waarde aan documenten en te weinig aan letsel. Dat laatste, is hun gedachte, „kan een asielzoeker ook zelf hebben toegebracht”.Uitzetdetentie – samenwerking met NISSAls IND en rechter asielzoekers afwijzen, worden zij overgedragen aan de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). Hoewel Nederland, als gevolg van strikter migratiebeleid, hier het afgelopen decennium steeds meer nadruk legde, zet de DT&V jaarlijks slechts zo’n 15 procent van de migranten onder haar verantwoordelijkheid uit. Circa een kwart gaat vrijwillig terug. De meesten vechten hun uitzetting aan, worden niet geaccepteerd door het herkomstland, duiken de illegaliteit in of reizen verder. Onder Soedanezen ligt het uitzetpercentage nog veel lager. Van de vierhonderd keer dat de afgelopen tien jaar een Soedanees werd vastgezet, leidde dat slechts zo’n dertigmaal tot uitzetting; deels het gevolg van de angst van Soedanezen voor hun ambassade in Den Haag. De DT&V stuurt ongedocumenteerden langs de Soedanese consul, die voor uitzetting checkt of zij inderdaad Soedanees zijn. Veelal weigeren zij deze ‘presentatie’ echter; al zeker negen jaar vreest de Soedanees-Nederlandse gemeenschap voor NISS-agenten op de ambassade.Nederland verzocht het afgelopen decennium achter de schermen drie Soedanese consuls het land te verlaten omdat zij voor de NISS informatie verzamelden over Soedanezen in Nederland. Zeker één verzoek onderbouwde Buitenlandse Zaken met AIVD-inlichtingen. Desondanks, en ondanks de sterke aanwijzingen dat diezelfde NISS uitgezette asielzoekers bij aankomst mishandelt, zet de DT&V zich al zeker twaalf jaar in voor uitzettingssamenwerking met Soedan. De dienst regelde in 2017 nog twee ontmoetingen met de beruchte veiligheidsdienst en blijft uitgeprocedeerde asielzoekers langs de consul sturen. Buitenlandse Zaken en de DT&V zeggen niet te weten of het ministerie de dienst over de NISS-consuls heeft geïnformeerd. Hun angst voor de ambassade zet veel Soedanezen klem. Zo ook Omar. De rechter vindt in 2018 het „enkele feit” dat hij in Soedan woonde onvoldoende bewijs van zijn Soedanese nationaliteit. Toch gaat de DT&V voor de presentatie uit van dat herkomstland. Omdat die dienst het resultaat van de presentatie niet terugkoppelt aan de IND, kan de DT&V hem uitzetten naar het land waarvan de IND niet gelooft dat het het zijne is, terwijl die onbewezen nationaliteit juist reden was zijn zaak niet te behandelen. Omar kent het gevaar maar hoopt ook dat – als de presentatie uitsluitsel geeft over zijn afkomst – hij zo zélf opnieuw naar de rechter kan stappen. Vooralsnog weegt zijn angst zwaarder; het is onduidelijk of de NISS nog steeds het consulaat bestiert. En Rudwan en Ayoub? Die staken in de zomer van 2020 in een klein rubberbootje het Kanaal over. Omdat ze anderhalf jaar van de Nederlandse radar waren, is volgens Europese regels het Verenigd Koninkrijk nu verantwoordelijk. Een nieuw land, een nieuwe asielkans.Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
Over dit artikel
Voor dit verhaal sprak NRC zestien Soedanezen in Nederland die veelal jaren vergeefs procedeerden voor een verblijfsvergunning. Tien van hen zaten eens of vaker vast in vreemdelingendetentiecentra. Van vier van hen beschikt NRC over de asieldossiers. Omdat zij mogelijk uitgezet worden, worden hun achternamen uit veiligheidsoverwegingen niet genoemd. Hun verhalen zijn gecheckt bij asieladvocaten, vluchtelingenorganisaties, het iMMO en Meldpunt Vreemdelingendetentie. Ook sprak NRC met (oud-)medewerkers van de Soedanese en Nederlandse ministeries van Buitenlandse Zaken, vijf (migratie)rechtexperts en elf leden van de Soedanese gemeenschap in Nederland. Daarnaastwerd geput uit (overheids)rapporten over vreemdelingendetentie en het terugkeerbeleid en uit interne documentatie van het ministerie van Justitie en Veiligheid, verkregen met een beroep op de WOB. Aan Justitie en Buitenlandse Zaken legde NRC vragen voor.

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *