Nieuw verwijt van bedrog treft kunsthandelaar Jan Six – na een Rembrandt nu een kameel

Nieuw verwijt van bedrog treft kunsthandelaar Jan Six – na een Rembrandt nu een kameel

[ad_1]


Nog niet zo lang geleden had hij Jan Six (1978) hoog zitten, zegt Thomas Kaplan. „Maar mensenkennis is nooit mijn sterkste kant geweest”, zegt de Amerikaanse miljardair. De man groeide uit tot ’s werelds grootste verzamelaar van Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. Nu voelt hij zich verplicht om de kunstwereld te waarschuwen voor de kunsthandelaar uit Amsterdam. „Jan Six is een gevaar voor de reputatie van de markt in oude meesters en dus, uiteindelijk, voor die oude meesters zelf”, zegt Kaplan vanuit New York in een lang telefoongesprek.
Van gevierd Rembrandt-kenner tot paria van de kunstwereld – de werdegang van Jan Six nam slechts drie jaar tijd in beslag. Hoe kon de kunsthistoricus zo snel van zijn voetstuk tuimelen? Was daarvoor de beschuldiging genoeg van zijn collega Sander Bijl, die tweeënhalf jaar geleden beweerde dat Six hem had bedonderd? Nee, zo leert onderzoek in het kleine wereldje van handelaren, kenners en verzamelaars van oude meesters. Six heeft meer gedaan om zijn reputatie in korte tijd te verliezen. Zo blijkt weer een collega hem van bedrog te beschuldigen, opnieuw bij de aankoop van een schilderij.
Sleeper
De opgang van de kunsthandelaar was eveneens onstuimig. Op 15 mei 2018 was hij op slag een bekende Nederlander geworden, dankzij een sensationele kunsthistorische ontdekking. Op een veiling in Londen had hij een sleeper ontdekt, zoals een verkeerd toegeschreven meesterwerk in veilingjargon heet. Het schilderij, een zeventiende-eeuws portret van een jongeman met het kapsel van een rockster, kwam ‘uit de omgeving van Rembrandt’. Tenminste, dat zei het veilinghuis, Christie’s. Six had daarentegen gezien: het is een echte Rembrandt.
De handelaar onthulde het schilderij ’s avonds in het door twee miljoen Nederlanders bekeken tv-programma Pauw. Eerder die dag had hij NRC de primeur gegund van deze eerste grote Rembrandt-vondst in bijna vijftig jaar. Er kwam een bericht op de voorpagina (‘Onbekende Rembrandt ontdekt’) en verderop in de krant een uitlegverhaal over de toeschrijving van het ongesigneerde schilderij, plus een interview. Daarin vertelde Six dat het veilinghuis „steken had laten vallen” en ook zijn collega’s en de grote verzamelaars hadden het werk over het hoofd gezien. Hij niet. Op z’n Louis van Gaals zei Six: „Het afgelopen jaar kneep ik me soms in de arm: ben ik nou zo slim, of zijn zij nou zo dom?”
Rembrandt, Portret van een jonge man (ca.1634). Jan Six kocht het schilderij op veiling.

Dat de ontdekking zoveel losmaakte, kwam niet alleen door de naam Rembrandt, maar ook door die van hemzelf. Jonkheer Jan Six, telg uit een bekend en kunstminnend Amsterdams patriciërsgeslacht. Hij groeide op in een kolossaal pand aan de Amstel in Amsterdam. In dat rijksmonument, behangen met schilderijen van oude meesters, is het topstuk een portret van een verre voorvader, geschilderd in 1654 door niemand minder dan Rembrandt van Rijn. Het is Jan Six de eerste, de stamvader naar wie alle oudste zonen in de familie sindsdien zijn vernoemd. Jan de kunsthandelaar is Jan Six de elfde, een jongensachtige veertiger met halflang ravenzwart haar. Hij is voorbestemd om na zijn vader, Jan Six de tiende, de volgende bewoner te worden van het door de staat onderhouden pand aan de Amstel.
Vier maanden na de presentatie van zijn Rembrandt-ontdekking kwamen de eerste barsten in Six’ verhaal. Misschien was hij toch niet de enige geweest die in kavel 122 van de Londense veiling een schilderij van de belangrijkste vaderlandse kunstenaar had gezien. Een met Six bevriende collega had indertijd net als Six contact opgenomen met Rembrandt-autoriteit Ernst van de Wetering. Beiden deden dat nadat ze het schilderij hadden gezien in de catalogus van de veiling. Via Van de Wetering ontdekte de andere handelaar, Sander Bijl, dat Six ook op het portret aasde. Bijl belde hem. Ze maakten een afspraak, bevestigd in appjes, om samen op het schilderij te bieden. Die afspraak: Six zou namens hen beiden bieden, tot een bepaald bedrag.
Direct na de veiling belde Six naar Bijl om te vertellen dat het helaas niet was gelukt: iemand anders had net iets meer geboden. Pas zeventien maanden later ontdekte Bijl dat Six zélf die andere bieder was geweest, met een Britse compagnon.
Toen Six in interviews verkondigde dat zijn collega’s allemaal hadden zitten slapen, gaf Bijl in de krant lucht aan zijn woede. De kop van het artikel: ‘Moet ik die kulverhalen van Six slikken?’
Handelaren kopen en verkopen vaak gezamenlijk; tegen elkaar opbieden drijft de prijs maar op. Gezamenlijk kunnen ze een vuist maken, risico’s spreiden en winsten delen. Het is een werkwijze die stoelt op vertrouwen en ongeschreven regels, wat gewoon is in de wereld van de oude meesters. Daarin geldt: een man een man, een woord een woord. Handelaren bezegelen zakelijke afspraken vaak met een handdruk of knipoog. Meer is niet nodig en het voorkomt vervelende vragen en onderzoeken naar illegale prijsafspraken.

Lees ook het NRC-artikel: ‘Samen kopen, samen delen in de kunst’, over het tegengaan van verboden prijsafspraken.

Eén van de erecodes is om nooit heimelijk met nóg een collega een plan B te smeden, voor het geval de eerste afspraak niet mocht slagen. Een handelaar die dat doet ligt eruit: met zo’n bedrieger wil niemand meer zaken doen. Six toonde zich zo’n bedrieger, zegt Bijl. Maar er was meer. Al een tijdje ging in het internationale kunstwereldje het verhaal rond dat Six nog een slachtoffer had gemaakt, die hij op soortgelijke wijze had beduveld.
Diverse handelaren vertellen erover. Zijn verhaal, hoewel nooit eerder opgeschreven, blijkt onder kenners, kopers en verkopers van schilderkunst uit de Gouden Eeuw zelfs wijd en zijd bekend. En niemand lijkt te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de beschuldiging, waarover zo direct meer. Ook Thomas Kaplan niet, de particuliere verzamelaar met de meeste Rembrandts in bezit. Hij waarschuwt nu dus voor Six: „En ik mocht hem aanvankelijk graag, hè? Jan Six was enthousiast, gedreven en onmiskenbaar intelligent. Na onze eerste ontmoeting was ik al bereid om hem te steunen bij zijn zoektocht naar nieuwe Rembrandts.”
Grootste collectie oude meesters
Dat moet goed nieuws zijn geweest voor Six, want Kaplan heeft diepe zakken. De 58-jarige, opvallend jeugdig ogende zakenman groeide uit tot miljardair met zilver- en zinkmijnen in Bolivia, door platina uit Afrika te halen en enkele financiële transacties. Onder beursspeculanten verdiende hij de bijnaam Gold’s Evangelist vanwege zijn enthousiasme voor beleggingen in goud. Ondertussen legde hij met zijn vrouw Daphne ’s werelds grootste privécollectie oude meesters uit de Nederlandse Gouden Eeuw aan. Hun verzameling, The Leiden Collection, telt meer dan tweehonderd schilderijen en tekeningen, waaronder vijftien schilderijen van Rembrandt, plus twee werken op papier. Kaplan toont zijn verzameling op rondreizende tentoonstellingen en kreeg een koninklijke onderscheiding voor zijn inzet om de Nederlandse cultuur wereldwijd te verspreiden. In zijn kantoor in New York hangen uitsluitend kopieën.
De Amerikaanse kunstverzamelaar Thomas Kaplan in 2017 bij één van de vijftien Rembrandts uit zijn collectie, Minerva (1635), tentoongesteld in het Louvre. Foto Discours Film
App-correspondentie
Een paar maanden voor Six zijn Rembrandt-ontdekking wereldkundig zou maken, nodigde hij Kaplan uit om het schilderij bij hem te komen bekijken. Kaplan stond op het punt naar Amsterdam te reizen toen hij Sander Bijl te spreken kreeg. Die liet hem zijn appcorrespondentie met Six zien. Daarin zag Kaplan bewijzen voor wat hij al had gehoord: Six had Bijl beloofd namens hen beiden bij Christie’s op de vermeende Rembrandt te bieden.
Kaplan noemt het schandelijk hoe Six tegen zijn handelspartner heeft gelogen. „Ik ben een zakenman, ik heb vaak meegemaakt dat mensen elkaar een loer probeerden te draaien, maar dit is van een andere orde, dit is echt slecht. Dus ben ik destijds, toen Six me uitnodigde, niet naar Amsterdam gegaan. Tegelijk dacht ik: slechte dingen gebeuren, ik bemoei me er niet mee. Ik zal het schilderij nooit kopen en hopelijk zullen anderen met gevoel voor moraal en ethiek dat ook niet doen. That was it.”

Het is een epische tragedie voor de naam Jan Six, in heden en verleden
Thomas Kaplan grootste verzamelaar van Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw

Maar daarna gebeurden nog een paar dingen die Kaplan dwarszitten. „Eerst maakte ik mee hoe Six zijn ontdekking vergeleek met een schilderij uit mijn verzameling: het portret van Petronella Buys, dat Rembrandt rond dezelfde tijd heeft geschilderd. Hij trashte dat schilderij, terwijl hij mij eerder uitgebreid had gecomplimenteerd met mijn beslissing het op een veiling te kopen. Die aankoop getuigde volgens hem van een enorm kennersoog. Beledigd voelde ik me niet, want zoiets neem ik niet persoonlijk. Maar het gaf me wel een beter inzicht in de man. Niet veel later mailde Six me. Hij deed of er niets was gebeurd en bood me twee schilderijen aan. Twee heel beroerde schilderijen. Eentje zou van Gerard Dou zijn, beweerde hij. Zelfs iemand die slechts oppervlakkig geïnteresseerd is in oude meesters kan zien dat die toeschrijving belachelijk is. Echt woedend makend belachelijk. Ik dacht: holy shit. Als deze man mij al zo’n mail stuurt, God weet hoeveel mensen met minder kennis van zaken hij dan bedondert. Toen kwam het besef hoe duivels deze man is.”
Op dat moment begreep Kaplan dat hij er iets van moest zeggen. „Als Rembrandt-promotor deed ik altijd gewoon wat ik voelde dat ik moest doen. Dat deed ik voor Nederland. En voor de schilder, tekenaar en etser die de wereld, en ook mijn leven, ten goede heeft veranderd. Als iemand de erfenis van Rembrandt bezoedelt, maakt hij ons allemaal te schande.” Later in het gesprek zegt hij nog: „Het is een epische tragedie voor de naam Jan Six, in heden en verleden.”
Mega-jalousie de métier
Six heeft Bijls aantijging van bedrog afgedaan als een kwestie van „mega-jalousie de métier”. Volgens hem had Ernst van de Wetering, de Rembrandtkenner, „zijn mond voorbijgepraat” in het atelier van restaurator Martin Bijl, de vader van Sander Bijl. De zoon had vervolgens Six benaderd, in de hoop met hem te kunnen meeliften. Six beweerde zelfs dat Bijl niet over de contacten beschikte bij het veilinghuis om zelf een biednummer aan te vragen. Vandaar dat hij had aangeboden om namens hem op kavel 122 te bieden.
Hoe geloofwaardig is dat? Bijl is immers vaste klant bij Christie’s en Sotheby’s. Geconfronteerd met die tegenwerping ontplofte Six. „Ik ben geen concurrent van Sander Nobody Bijl uit Alkmaar”, schreeuwde hij. „Ik ben Jan Six Fine Art, een bedrijf dat zijn eigen beleid maakt.” Het was precies zo gegaan als hij had verteld. En hij, alleen hij, had ontdekt dat het portret van Rembrandt was.
Van de Wetering was bijzonder ongelukkig met de beschuldiging van Six als zou hij, de kenner, zijn mond voorbij hebben gepraat. Niet waar, aldus Van de Wetering. „De vriendschap is nu uit”, zei de toen 80-jarige wetenschapper. Het had hem „diep geraakt” dat de man die hij jarenlang intensief had geholpen met het toeschrijven en restaureren van zijn Rembrandt-vondsten, hem met „onzinnige beschuldigingen” had betrokken bij een ruzie met Sander Bijl. „Six heeft zijn ware aard getoond; ik weet nu hoe hij kan liegen.” En: „Onder het mom van geposeerde vriendschap heeft Six me al die jaren waarschijnlijk alleen maar gebruikt. Ik merk dat ik niet de enige ben die het daar nu moeilijk mee heeft.”

Lees ook dit NRC-interview uit 2017 over de ontmaskering van een Frans Hals-vervalsing: ‘‘Dit zet iedereen in de kunstwereld op scherp’

Voor dit artikel wil Six geen vragen meer beantwoorden. Handelaren, curatoren en verzamelaars van naam en reputatie zeggen Six’ gedrag af te keuren en te betreuren. Gevraagd naar een verklaring voor dat gedrag wijzen ze op zijn grote ego, zijn drang om zich te bewijzen, zijn poging zich te ontworstelen aan de naam Jan Six en zijn als ‘lastig’ omschreven vader. Welbeschouwd praten ze daarmee na wat Six zelf in wisselende bewoordingen steeds zei in de vele grote interviews die hij na zijn vondst gaf. Zijn ontdekking van Portret van een jonge man had hij ervaren als een soort catharsis. Hij had laten zien meer te kunnen en meer te zijn dan wat hij door geboorte en van huis uit had meegekregen. In Het Parool zei Six bijvoorbeeld: „Mensen die er niet echt goed over nadenken zeggen: tuurlijk ontdekt die jongen een Rembrandt. Zo werkt het niet; als je geen interesse hebt maakt het geen hol uit of je in de juiste familie geboren bent. Het kind van Einstein heette Einstein, maar was geen Einstein. Ik ontdek Rembrandts omdat ik ontzettend hard werk, niet omdat ik een Six ben. We hadden mijn hele jeugd toeristen over de vloer. Die wilden dan een handje geven en zeiden: ‘Ooh, we are three handshakes away from Rembrandt.’ Dat vond ik eng en gênant. Nu, bij de jonge man, wist ik voor het eerst heel zeker: ik heb dit gezien, ontdekt en hard gemaakt.”
Op straat
De andere kunsthandelaar die Six van bedrog beticht is een buitenlandse kunsthistoricus gespecialiseerd in Nederlandse kunst. Hij doet zijn verhaal alleen omdat hij weet dat de kern ervan toch al op straat ligt. „En dan kan ik maar beter zorgen dat de details ook kloppen niet?” Toch wil hij niet met zijn naam in de krant. „Want ik zoek nooit de publiciteit.” Tegelijk denkt hij dat het „passend” is dat het verhaal naar buiten komt, omdat het nog eens helder laat zien „dat Jans consistente wangedrag onlosmakelijk verbonden is met zijn persoonlijkheid”.
De jonge handelaar vertelt eerst over zijn vriendschap met Six. Die ging ver. Ze bezochten elkaar verscheidene keren per jaar, reisden samen, verbleven in elkaars huizen, gingen met dezelfde vrienden om. De man bezocht Six’ huwelijksfeest en verbleef eens een week als gast bij zijn ouders, in het roemruchte huis aan de Amstel. Na de scheiding van Six en zijn echtgenote nam de jonge handelaar tien dagen vrij om zijn Nederlandse vriend mee te nemen naar een warm eiland in een poging hem op te vrolijken. „Helaas”, zegt hij nu, „bleek de vriendschap niet wederkerig.”

Het zeventiende- eeuwse schilderij van Jan Asselijn dat Six met een bevriende kunsthandelaar zou kopen.
De zaak gaat over een schilderij van Jan Asselijn, een tijdgenoot van Rembrandt die vooral bekend is van De bedreigde zwaan, een schilderij dat tegenwoordig in de Eregalerij van het Rijksmuseum hangt. Tijdens archiefonderzoek was de jonge handelaar documentatie over een schilderij van Asselijn tegengekomen, een afbeelding van een kameel. Hij ontdekte dat het schilderij in bezit was van een verzamelaar in Wassenaar.
Hij nam zijn iets oudere vriend Six, die in die dagen bij hem logeerde, in vertrouwen over zijn vondst, op voorwaarde dat ze samen probeerden het schilderij te kopen. Een eventuele verkoopopbrengst zouden ze delen. Six ging akkoord.
Six kende de verzamelaar in Wassenaar niet persoonlijk. Hij beloofde een geschikt moment te vinden om in contact met de man te komen. Six drukte zijn vriend en collega op het hart vooral geduld te tonen; dit kon je gerust aan hem overlaten, hij wist hoe de gegoede klasse in Nederland opereert.
Maanden later vond Six zo’n geschikt moment: een geplande tentoonstelling van een negentiende-eeuwse kunstenaar waar de Wassenaarse verzamelaar bij betrokken was. Six kon een werk bijdragen uit zijn familiecollectie. Hij benaderde de verzamelaar en nodigde hem uit in zijn ouderlijk huis, het beroemde adres aan de Amstel. Six schreef zijn vriend naderhand hoe hij het vertrouwen van de verzamelaar had gewonnen. Hij had de oudere heer uit Wassenaar „een koninklijke behandeling” gegeven. Zo plaatste hij een oorspronkelijk, handgeschreven gedicht van Joost van den Vondel in de „trillende handen” van de oude verzamelaar (die inmiddels is overleden).
In december van 2014 lukte het Six om Asselijns kameel te kopen. Aan zijn jongere vriend schreef hij niets over de aankoop.
Six en de jonge handelaar bleven elkaar ontmoeten, als goede vrienden. Tijdens hun ontmoetingen spraken ze regelmatig over het plan om de kameel samen te kopen. Dat zou een mooie vangst zijn, vertelden ze elkaar: ze vermoedden dat er kopers waren die er vrij goed voor wilden betalen.
Fuck, het schilderij is verkocht
Pas in december 2016, enkele dagen voor Kerst, richtte de jonge kunsthandelaar zich tot Six met de uitdrukkelijke vraag om de Asselijn nu toch eindelijk te bespreken met de verzamelaar in Wassenaar. Er was genoeg geduld betracht. Six antwoordde, in een e-mail aan zijn vriend: „Fuck, het schilderij is verkocht.”
De verzamelaar had het aan iemand anders verkocht, legde Six uit. Ze waren te laat. Pech gehad.
Een jaar later hing de kameel bij Hazlitt, de kunsthandel in Londen waarmee Six ook zijn Rembrandt-vondst Portret van een jonge man kocht. Bezoekers aan de kunsthandel mochten het meenemen voor 550.000 Britse ponden, destijds ruim 600.000 euro.
De jonge kunsthandelaar hoorde hier nog weer later van, tijdens een lunch met een collega. Die had het schilderij in de etalage bij Hazlitt zien hangen. Bij toeval. De jonge handelaar was „flabbergasted” en vermoedde direct wat er was gebeurd. Hij belde Six in januari 2019 om verhaal te halen. Six kon niet anders dan bekennen. Ja, hijzelf had het werk gekocht. De verbouwereerde handelaar aan de telefoon: „Jij hebt onze al vijftien jaar durende vriendschap kapotgemaakt en waarvoor? Voor een kameel van Asselijn, Jan. Een kameel!”

Jij hebt onze al vijftien jaar durende vriendschap kapotgemaakt en waarvoor? Voor een kameel van Asselijn, Jan. Een kameel!
Jonge kunsthandelaar

En hoe reageerde Six?
„Tja. Wat kon hij nog zeggen? Sorry.”
Uit een reconstructie van de gebeurtenissen ontdekte de jonge handelaar dat hij nog geen twee weken voor de aankoop in Wassenaar met Six en een paar andere vrienden op stap was geweest in Engeland, tijdens de Oude Meesters-veilingen in Londen, met etentjes, cocktails en borrels.
In april 2019 zagen de heren elkaar nog één keer, op het kantoor van Six aan de Herengracht. De handelaar was voor zaken in Amsterdam. Six zou hem daarna 10.000 euro overmaken. Dat was de helft van de commissie die Six zichzelf had uitbetaald na de aankoop van de Asselijn. Het schilderij, opnieuw aangeschaft met zijn Britse compagnon John Morton Morris van kunsthandel Hazlitt, had ze 200.000 euro gekost. Six had zichzelf een commissie van 20.000 euro gegeven, waarvan de jonge handelaar nu de helft vroeg. Six ging akkoord, maar niet nadat hij de jonge handelaar vertelde nog enkele duizenden euro’s in mindering te zullen brengen, voor gemaakte onkosten. De jonge handelaar wilde niets weten van deze, wat hij noemt „oogkleppenlogica”. Sterker, hij was bij Six op kantoor om hem te vertellen dat die zich ondanks het bedrog wel aan de aanvankelijke afspraak diende te houden: ze zouden de toekomstige verkoopwinst van de kameel delen. De handelaar: „Zonder mij had hij per slot van rekening nooit van de Asselijn of de verzamelaar gehoord.”
Six tierde, huilde en haalde in een poging zijn handelen te verklaren van alles erbij, zegt de jonge handelaar. Six deed dat in woeste verhalen en beschuldigingen. Allerlei onrecht dat hem was aangedaan, in de nasleep van zijn Rembrandt-ontdekking. Mensen waren jaloers op hem, zoveel was duidelijk. Hij schilderde zichzelf af als slachtoffer.
Voor de zaak van de Asselijn waren al die verhalen irrelevant, vond de handelaar. Feit bleef dat Six de Asselijn dankzij hem had verworven. De jonge handelaar verliet het pand „in de kennis”, zegt hij zelf, „dat Six oneerlijk en onoprecht zou blijven”.
Verzamelaar Thomas Kaplan zegt over de zaak Asselijn: „Six is pure evil. He lied to my face so many times, so naturally, that it’s frightening.”
Een goede, voormalige vriendin van Six zegt dat de jonge handelaar met wie Six de Asselijn zou kopen, lange tijd Six’ beste vriend was. „Dat Jan voor een relatief klein bedrag die vriendschap heeft geofferd, dat vind ik voer voor psychologen.”

Tussen kunst en cash
Pieter van Os en Arjen Ribbens schreven Tussen kunst en cash, een boek over de corrumperende werking van het grote geld op de kunstmarkt, ook in Nederland. Het boek verschijnt dit weekeinde. Een van de dertien hoofdstukken behandelt de ergernis en zelfs woede die kunsthandelaar Jan Six wekt in het kleine wereldje van handelaren, kenners en verzamelaars van oude meesters. Andere hoofdrolspelers in het boek zijn museumdirecteur Beatrix Ruf, verzamelaar Bert Kreuk, ontzamelaars in de familie Van Oranje-Nassau en kunstdetective Arthur Brand.
 

Pieter van Os en Arjen Ribbens: Tussen kunst en cash. Hoe geld de Nederlandse kunstwereld corrumpeert. DasMag, 320 blz., €22,99. Het boek kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 17 april 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 17 april 2021

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *