‘Of de mensen gelukkig waren? Ze waren geworteld’

‘Of de mensen gelukkig waren? Ze waren geworteld’

[ad_1]


En dan moet ik zeker zeggen van ‘dit was hier’ en ‘daar was dat’? Koos van Zomeren (75), schrijver, zit achter het stuur en vraagt het voor de zekerheid maar even. We wandelen met de auto naar het dorp van zijn geheugen. Herwijnen, aan de Waal, in de Betuwe, provincie Gelderland. Zijn vader werd er geboren, in 1919, en groeide er op bij zijn tante en haar echtgenoot, Jantje en Jan Van Zomeren-Van Zomeren, of, voor familieleden: Tante en Atje. Koos van Zomeren heeft zelf nooit in het dorp gewoond. Hij logeerde er als kind in weekenden en vakanties, en dan sliep hij op de vliering in een kermisbed (een matras op de grond) of, net als zijn vader vroeger, in bed bij Lin, een oom die daar sinds mensenheugenis inwoonde.
Vanaf station Geldermalsen rijden we door Meteren, Waardenburg, Haaften, en vlak voor we Herwijnen naderen, verschijnt midden in het polderlandschap een woonwijk, de jongste uitbreiding van het dorp. „Wonderlijk”, is alles wat Koos van Zomeren erover zegt. Vindt hij het niet lelijk dan, die nieuwbouw zomaar uit het niets? „Als je je erin oefent”, zegt hij, „kun je een hele hoop lelijkheid aan.” Hij is lelijkheid pas gaan zien, zegt hij, toen hij over natuur begon te schrijven en de verdwijning en vernietiging ervan. Dat deed hij bij De Nieuwe Revu, waar hij tien jaar als verslaggever werkte. Bij NRC schreef hij, tot aan zijn pensioen in 2011, vaak en veel over vogels, koeien, bomen. Daarbovenop publiceerde hij zestig boeken: gedichten, korte verhalen, romans, en een journaal over de hazelworm – dat was toen hij weer eens had besloten nooit meer fictie te schrijven.
Nog meer dan over vogels en koeien samen, schreef hij over Herwijnen. We rijden nu over de weg die hij zomers fietste, een kleine tachtig kilometer vanaf Arnhem. „Achteraf vraag ik me af hoe de familie wist wanneer ik kwam. Geen telefoon, geen e-mail, niks. Kennelijk was het een gegeven: Koos komt.” Tot zijn twaalfde ging hij samen met zijn vader, moeder en oudere zus Jannie (tot Koos’ verdriet was zij wel geboren in Herwijnen). „Daarna ging ik alleen.” Hoeveel jaar zal hij dat gedaan hebben? Een jaar of vier? Vijf misschien. „Zo lang heeft het allemaal niet eens geduurd.” En toch, zegt hij, sleep je het al die jaren met je mee. „Net als mijn SP-carrière….” Hij was een van de oprichters van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (marxisties-leninisties). Die partij ging op in de SP, en hij brak ermee in 1975. Hij kijkt opzij en zegt dat hij nu al spijt heeft dat hij erover is begonnen.
We passeren het dorpsbord waarop staat dat we Herwijnen binnenrijden, maar dat bestrijdt hij. „Herwijnen is geen bord, het is emotie.” Hij was net aan het vertellen dat hij vaak, zo niet dagelijks aan Herwijnen denkt, om daarna vast te stellen dat het inderdaad elke dag is.
„’s Avonds, na het eten, speel ik met de hond in de gang bij de voordeur met zo’n piepvarkentje.” Dat speelgoedding brengt hem zestig jaar terug, naar het huisje van Tante en Atje, waar in een hoekje van de tuin altijd een varken werd gehouden tot het dik genoeg was om op te eten.
„Je werd wakker van het astmatische schrapen van ijzer in ijzer”, staat in Aan de Dijk, zijn derde boek over Herwijnen. Het geluid van de waterpomp. „Je schoof de molton deken weg en keek uit een zolderraam dat nauwelijks groter was dan je hoofd. Van hier tot aan de einder: polder, zon, zomer, een veld met graan waarin het kwetterde van de mussen.”

De rekening
Ambachtsbakker Bakker
Achterweg 28, Herwijnen

2 thee

4,60

2 stokbrood beenham

13,90

Totaal

18, 50 euro

Bij de bakker in het centrum staat het terras uit. We drinken er thee en eten een broodje. Hij wijst naar een overvliegende gierzwaluw en vertelt over een opstel dat hij schreef op de hbs. Hou oud was hij helemaal, zestien? Het was een liefdesbrief over Herwijnen. Hij kreeg er een 9,5 voor. „Toen was mijn levenspad dus al uitgestippeld.” Als we op het punt staan te vertrekken, loopt hij een neef tegen het lijf. Daan van Zomeren, de tweede zoon van ome Gijs. We stappen weer in de auto en laten het dorpscentrum achter ons. Langs rouwcentrum Lingewaal, het herenhuis van de notaris, de hervormde kerk. Koos van Zomeren slaat rechtsaf en zegt: „Hier gaan we de dijk op.” En tegen zichzelf: „Overbodig om dat erbij te zeggen.” De dijk, daar is alles om begonnen. Anderhalve kilometer langs de Waal, vanaf eind achttiende tot ver in de twintigste eeuw stonden er een stuk of veertig huisjes stijf tegen de dijk aangeplakt. ’t Rot heette het stuk dijk, even verderop werd het d’n Berm. De huisjes aangeduid met de nummers C46 tot en met C97, de bewoners bekend onder hun dorpsnamen: Schèlen Bèrend, de Beul of De Pruts. De bijnamen, de familiebanden, wie er precies één van wie is, het duizelt je als buitenstaander. Maar wat doet het ertoe? Deze mensen bestaan alleen nog in de herinnering en staan voor alles wat ooit was.
Bittere armoede
Koos Van Zomeren herinnert zich een foto genomen „op Herwijnen”. Dat moet 48 jaar geleden zijn geweest, want Iris, zijn vrouw, heeft oudste zoon Daan op de arm. „Opoe leefde nog, oom Lin….” De een na de ander ging dood en daarna kón hij niet meer naar Herwijnen. „Te veel heimwee.” Zijn vader leed onder hetzelfde gemis, terwijl hij er toch echt zelf alles aan had gedaan om zich te ontworstelen aan zijn geliefde geboortegrond. Beroepsmilitair geworden, meisje uit de stad getrouwd, verhuisd naar Rheden en later naar Arnhem .
Het „contact” tussen Koos van Zomeren en Herwijnen herstelde zich door zijn eerste boek erover. Een jaar in scherven, uit 1988. Hij schrijft over de bittere armoede van de jaren dertig, de ijzige kou, het geploeter. Plukje land voor eigen gebruik, paar beesten, soms werk in de steenfabriek. De volkstaal, uitgebeend en bondig. De verhalen, sterk en fantasierijk. De mannen, zwaargebouwd en lichtgeraakt. Onwillekeurig kijk je naar de schrijvershanden en tengere gestalte van Koos van Zomeren. Nou ja, hij draagt naar goed Herwijns gebruik een pet.
In 2006 kwam boek twee over Herwijnen, Nog in morgens gemeten. Over hoe de arme bevolking zich ontworstelt aan het lot en in opstand komt tegen de rijkere boeren in de omgeving. En in het derde boek vult hij de laatste hiaten in zijn kennis over het Herwijnse dorpsleven. Het soort leven dat al begon te verdwijnen toen de geit vervangen werd door de melkboer, de pomp door de kraan, het varken door de slagersjongen, de rijnaken door motorschepen. En het was „echt voorbij”, schrijft hij, toen de dagjesmensen kwamen met vrije tijd en camera’s om die leuke dijkhuisjes vast te leggen.
Weemoed heeft een kapstok nodig
We naderen nu stapvoets de meest nabije geschiedenis van Koos van Zomeren. Huisje C86, waar zijn vader werd geboren en C70, waar zijn vader woonde met Tante en Atje (ook bekend als Jan de Sies en Jans de Kip). Hier was een winkel, daar de bakker, en verderop een schoenmaker. „En hier”, hij staat nu vrijwel stil en wijst door het rechter zijraam, „was het huis waar ik logeerde”. Ik zie polder, gras, koeien in de verte, geen huisje. Ja, geeft hij toe. „Dit is een moeilijke plek om vol te houden dat het in je geheugen nog recht overeind staat.”
Alle originele dijkhuisjes zijn gesloopt. Van C86, het geboortehuis van vader Van Zomeren, is nog een deel behouden. Veertig jaar geleden is het – als bouwval en in gebruik als schapenstal – gekocht en gerenoveerd door Anneke Nijhoff, die toen 23 was. Haar vriend, Willy Raaijmakers, kwam later bij haar wonen en die was zo gegrepen door het dijkleven van vroeger dat hij foto’s van alle huisjes en de bewoners ervan is gaan verzamelen. „Verpletterend”, prijst Koos van Zomeren diens behendigheid met internet en genealogieprogramma’s. Zelf gebruikt hij computer noch mobiele telefoon. „Zo’n stompzinnige computer die oneindig veel meer over ’t Rot blijkt te weten dan jij of wie dan ook.” Willy Raaijmakers fotoverzameling is opgenomen in boek nummer drie, vormgegeven door Jan van Zomeren, tweede zoon van Koos.
Bij het huis van Anneke en Willy parkeert hij de auto in de berm van de dijk. De auto van zijn uitgever uit Amsterdam staat er al, hij komt hem hier het eerste, versgedrukte exemplaar overhandigen. We dalen de trap af, lopen achterom, en dan staan we bovenop elkaar in wat nu de zitkamer is en vroeger het hele huis. Vier bij vier meter, meer is het niet. „Daar was de bedstee, de kachel, en hier de keuken.” Denk er zeven kinderen bij. Of de mensen er gelukkig waren? „Vraag je aan een boom of die gelukkig is met zijn plek?” Er was saamhorigheid, vermoedt Willy. Ho ho, zegt Koos van Zomeren. „Maak het niet te mooi.” Er bestond eenvormigheid, zegt hij. De levens waren inwisselbaar. „De mensen waren geworteld.” En hij is dat in hen.
Met z’n allen gaan we de tuin in. De ganzen gakken, de geitjes mekkeren, bij het nest jonge koolmezen gaat het dak eraf door de kruimels Amsterdamse taart die ze gevoerd krijgen door hun ouders. Koos van Zomeren bladert tevreden door zijn boek. Hij voelt zich, zegt hij, kind en 75 tegelijk. Weemoed heeft een kapstok nodig, had hij eerder gezegd. Dat heeft hij nu in handen. Over een maand, zeggen Anneke en Willy, komen de graafmachines. De dijk langs de noordoever van de Waal – van Nijmegen tot Gorinchem – wordt verlegd, verzwaard en opgehoogd. Aan alles wat verdwenen is, moet straks zelfs de dijk worden toegevoegd. En nee, dat vindt Koos van Zomeren geen onoverkomelijke ramp. De wereld die hij kende, was toch al weg.

In het kort
Geboren Velp, 5 maart 1946Burgerlijke staat gehuwdWoont in ArnhemOpleiding hbs-bEerste baan regieredactie Het Vrije Volk in ArnhemVervoermiddel autoSport wielrennen (passief)Boek De jaren van Annie ErnauxFilm Dances with Wolves van Kevin CostnerMuziek Beethoven, vioolsonatenOnmisbaar goede schoenen

Nieuwsbrief
NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 29 mei 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 29 mei 2021

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *