Ook sterke werkwoorden hebben hun zwakke momenten

Ook sterke werkwoorden hebben hun zwakke momenten

[ad_1]


Je leest wel eens rare verleden tijden. ‘Na een wilde periode van dansen, drank en drugs zwoor hij het feestvieren af.’ ‘Ik glimde van trots.’ ‘Mirella mijdde jarenlang de huisarts.’Taalkundige Isabeau De Smet noteert dit soort zinnen. Ze hoort ook wel eens dat mensen ‘ik holp’ of ‘ik worp’ zeggen. Of ‘brook’ in plaats van ‘brak’, of ‘stool’ in plaats van ‘stal’. En er zijn natuurlijk gevallen waar iedereen wel eens over twijfelt. Is het waaide of woei? Jaagde of joeg?Al deze voorbeelden laten zien dat die verleden tijden nog altijd een beetje in beweging zijn. En dat is altijd zo geweest. Die bewegingen zie je pas echt als je er over een periode van vele eeuwen naar kijkt, en dat is precies wat Isabeau De Smet gedaan heeft en waar ze nu, bij de universiteit van Leuven, op promoveert. Ze heeft de computer in een kleine tien eeuwen aan Nederlands tekstmateriaal laten tellen welke vormen er waren, en welke daarvan in de loop der eeuwen veranderd zijn.Het Nederlands heeft twee systemen die naast elkaar bestaan, maar ook met elkaar concurreren. Er zijn ‘sterke’ werkwoorden. Spreken, sprak, gesproken. Slapen, sliep, geslapen. En er zijn ‘zwakke’ werkwoorden. Wandelen, wandelde, gewandeld. Fietsen, fietste, gefietst.Een afgesleten ‘deed’Sterke werkwoorden maken de verleden tijd door hun klinker te veranderen. Zwakke werkwoorden volgen een ander procédé: ze nemen een uitgang: -te, -de.De eigenaardige termen ‘sterk’ en ‘zwak’ werden in 1819 bedacht door de Duitse taalkundige Jacob Grimm. Hij noemde werkwoorden als wandelen en fietsen zwak omdat ze een extern hulpmiddel – een uitgang – nodig hebben om de verleden tijd te vormen. Sterke werkwoorden deden dat, in de ogen van Grimm, op eigen kracht: door intern te veranderen.Die klinkerveranderingen vind je terug in bijna alle Indo-Europese talen. Dat systeem is waarschijnlijk al minstens 6.000 jaar oud. Het andere systeem, de verleden tijden met -te en -de, is veel jonger. Dergelijke uitgangen komen alleen voor in een subgroep van de Indo-Europese talen: de Germaanse talen. Die vorm moet dus ergens in het millennium vóór de geboorte van Christus ontstaan zijn: waarschijnlijk doordat men toen achter het werkwoord het woordje ‘deed’ ging gebruiken. Dat sleet vervolgens af tot -de en -te.De zwakke werkwoorden zijn de gestroomlijnde buitenwijken van onze taalDe filosoof Ludwig Wittgenstein heeft talen wel eens vergeleken met steden. Die hebben een oude binnenstad met een grillig stratenpatroon, maar ook uitgestrekte, kaarsrechte buitenwijken. De sterke werkwoorden behoren tot de oude, grillige binnenstad van het Nederlands. De zwakke werkwoorden behoren tot de gestroomlijnde buitenwijken van onze taal.En net zoals een binnenstad en de buitenwijken daaromheen perfect naast elkaar kunnen bestaan, zo bestaan de sterke en zwakke werkwoorden al meer dan 2.000 jaar naast elkaar. Zolang de jongste generatie (baby’s en peuters) maar zo gek is om al die sterke vormen netjes te leren en te gebruiken.
Peuters zeggen wel eens ‘slaapte’

Jonge kinderen leren de verleden tijden via een u-bocht. Ze beginnen wel met een aantal sterke vormen die ze vaak horen. Daarna ontdekken ze dat er een regel is met -te en -de, en dat gaan ze dan opeens op álle werkwoorden toepassen. Na een tijdje gaan ze toch weer over op de sterke vormen, als ze die maar vaak genoeg horen.
De sterke werkwoorden vormen nog altijd een krachtig systeem omdat ze veel voorkomen. Ze zijn heel erg aanwezig in het alledaagse Nederlands: krijgen, kreeg, vinden, vond, geven, gaf, blijven, bleef…Maar de zwakke werkwoorden vormen óók een heel krachtig systeem: ze zijn superregelmatig en supervoorspelbaar.De sterke werkwoorden zijn minder onregelmatig dan je misschien zou denken. Als je er goed naar kijkt zie je dat al die klinkerveranderingen te herleiden zijn tot zeven patronen. Een patroon dat je heel veel tegenkomt is: ij-ee-ee. Mijden, meed, gemeden. Blijven, bleef, gebleven. Een ander veel voorkomend patroon is: ie, oo, oo. Gieten, goot, gegoten. Kiezen, koos, gekozen.Hiet werd: heetteSinds het jaar 1200 is 28 procent van alle sterke werkwoorden zwak geworden, zo blijkt uit het speurwerk van De Smet. Hiet werd: heette. Stiet: stootte. Besief: besefte. Wies: waste.
Is het vrijde of vree?

In het Standaardnederlands komen beide vormen voor. Regionaal verschilt het nogal. In de helft van alle Nederlandse dialecten is het: vrijen, vrijde, gevrijd. In een derde: vrijen, vree, gevreeën. De resterende dialecten hebben andere vormen, bijvoorbeeld de combinatie vrijen, vree, gevrijd, of juist het omgekeerde: vrijen, vrijde, gevreeën.
Maar omgekeerd zijn er ook een heleboel zwakke werkwoorden sterk geworden. Vraagde werd: vroeg. Wijsde: wees. Snuifde: snoof. Een heleboel verleden tijden die nu sterk zijn – zoals zond, schond, schonk, floot, school, snoot en prees – waren ooit zwak.Uit de computeranalyses van het tekstmateriaal blijkt dat sterke werkwoorden meer kans hadden om sterk te blijven als ze veel gebruikt werden én tevens behoorden tot de meest voorkomende patronen van klinkerverandering.Fantasie-werkwoordEen moedertaalspreker van het Nederlands heeft – onbewust – gevoel voor wat veel voorkomende patronen zijn. Dat blijkt als je iemand een fantasie-werkwoord geeft, bijvoorbeeld ‘mijken’, en vraagt om daar de verleden tijd van te geven. Twee derde van de mensen zegt dan: mijkte. Een derde zegt: meek. Dat meek past precies in het patroon ij-ee-ee. Mijken, meek, gemeken.Zwakke werkwoorden die sterk zijn geworden, volgen ook bijna altijd zo’n veel voorkomend patroon. Wijsde werd wees omdat het dan ook heel mooi paste in het patroon ij-ee-ee. Vraagde werd vroeg naar analogie van dragen, droeg en jagen, joeg.Het diepere inzicht dat hieruit volgt is dat de grammatica van taal niet alleen maar uit grote grammaticale regels bestaat. Analogie speelt ook een rol. Woorden kunnen onder invloed van andere woorden veranderen. Ze reageren op elkaar. Ze vormen groepen. Ze kunnen overspringen naar een andere groep.
Gesnopen?

Soms kan het een vorm van humor zijn om een zwak werkwoord sterk te vervoegen:
‘Heb je dat gesnopen?’
‘We hebben tot diep in de nacht gefoven.’ (gefuifd)
‘Dat heb ik georven .’ (geërfd)
‘Ik heb dat netjes gemolden bij de dienstdoende instanties.’ (gemeld)
Rond de zestiende eeuw deed zich daarnaast een grote vereenvoudiging voor. Voor die tijd was het bijvoorbeeld: zwemmen, zwam, gezwommen. Daarna: zwemmen, zwom, gezwommen. Het patroon è-a-o werd: è-o-o. Er zijn veel werkwoorden die deze vereenvoudiging ondergaan hebben. Drank werd dronk. Zwal werd zwol. Smalt werd smolt. Verleden tijd en voltooid deelwoord hebben daardoor dezelfde klinker gekregen. Volgens De Smet is het systeem daarmee wat regelmatiger geworden en ook wat robuuster. De gekke vormen die ze af en toe tegenkomt, ‘holp’ in plaats van ‘hielp’ en ‘worp’ in plaats van ‘wierp’, passen perfect in dit nieuwe patroon.Er is nog iets anders dat rond de zestiende, zeventiende eeuw in het Nederlands veranderde en van invloed was. Het voltooid deelwoord wordt vanaf die tijd vaker gebruikt, de verleden tijd minder vaak. Je zegt tegenwoordig eerder ‘ik heb geslapen’ dan ‘ik sliep’. En eerder ‘ik heb een broodje gegeten’ dan ‘ik at een broodje’.Daardoor is bij een heleboel werkwoorden de verleden tijd zwak geworden, terwijl het voltooid deelwoord nog steeds de sterke verbuiging heeft (met -en). Bakken, biek, gebakken werd bakken, bakte, gebakken. Braden, bried, gebraden werd braden, braadde, gebraden.Geniegd tot vereenvoudigingDe vergelijking met onze buurtalen is interessant. Als het om uitgangen en vervoegingen gaat, is het Nederlands vaak eenvoudiger dan het Duits, maar ingewikkelder dan het Engels. Dat blijkt hier ook het geval. In het Duits is 16 procent van alle sterke werkwoorden zwak geworden. In het Nederlands is dat 28 procent.In het Engels is het veel meer: 45 procent. Hoe komt dat? In de ontstaansgeschiedenis van het Engels was er een periode, van 500 tot 1100, waarin er erg veel mensen waren die Engels als tweede taal spraken, naast een andere taal die hun moedertaal is (Keltisch, Scandinavisch, Frans). Die mensen hadden de neiging om de grammatica van het Engels te vereenvoudigen.Zolang het Nederlands vooral door moedertaalsprekers gesproken wordt zal het systeem van sterke werkwoorden hier overeind blijven. Wat er zou kunnen gebeuren als het Nederlands opeens op grote schaal gebruikt wordt door mensen die van huis uit een heel andere taal spreken, kunnen we zien in Zuid-Afrika. Daar heeft zich uit het Nederlands van de zeventiende eeuw het Afrikaans ontwikkeld. In het Afrikaans zijn vrijwel alle sterke werkwoordsvormen verdwenen.

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *