Op zoek naar de droom van Louis Couperin

Op zoek naar de droom van Louis Couperin

[ad_1]


Hoewel de Franse componist Louis Couperin (1626-1661) geen kinderen had en al vroeg stierf, groeide hij – net als Bach – uit tot de aartsvader van een muzikale dynastie. Hijzelf werd organist van de rooms-katholieke kerk Saint-Gervais in het hart van Parijs, een baan die zijn broer en diens nazaten daarna nog twee eeuwen als hun uitvalsbasis zouden gebruiken.In de muziekgeschiedenis werd Louis lang overschaduwd door neef François, die de Fransen de eretitel ‘Le Grand’ gaven. De Nederlandse klavecinist Bob van Asperen (73) toont zich al vele jaren een hartstochtelijk pleitbezorger van Louis Couperin. Bij het label Aeolus verscheen onlangs het vierde album met diens Klavecimbelstukken, Pavanne de Monsieur Couperin. En Van Asperen vervolgt zijn reis de komende jaren met orgelwerken en andere herontdekte werken. „Louis Couperin was een uitvinder”, betoogt hij. „En veel componisten – ja, ook Bach – plukten de rijpe vruchten van zijn arbeid. Op Couperin past dat typisch negentiende-eeuwse woord: genie. Maar goed, hij was het.” FilosofenhoofdIn een woordenwaterval vertelt Van Asperen niet alleen alles over Couperins werk, maar ook over zijn tijdgenoten. Of over de plekken waar hij woonde. Of over hoe hij vanuit het organistenhuis van de Saint-Gervais dagelijks wandelde door zijn portaal „met dat heerlijke filosofenhoofd, als dat er toen al was”, langs het stadhuis naar zijn vrienden rond het Louvre, toen nog geen museum, maar het paleis van zonnekoning Lodewijk XIV, een van Couperins opdrachtgevers. Of over diens inspiratiebronnen en de muziek waarin zijn vérstrekkende invloed weerklinkt, bijvoorbeeld een zeldzame sarabande van de Nederlandse sterrenkundige Christiaan Huygens. En Van Asperen kan mooi uitweiden over kunstwerken uit deze gouden eeuw, die een „huwelijk van gestiek en gratie” sluiten. „Zoals Bernini’s ruiterbeeld van Lodewijk XIV met een paard dat naar alle kanten lijkt te willen uitbreken. In dat dier bundelen zich rusteloze krachten, die niettemin volmaakt in evenwicht zijn. Die fascinerende balans hoor ik terug in de Couperins muziek.”Hij ervaart diens klavecimbelstukken als diep emotionele muziek, „binnen de stijl van de barok. Maar wat die stijl precies behelst, daarnaar kan een musicus een leven lang zoeken, zonder een definitief antwoord te vinden. En hoe meer ik erop studeer, hoe ongrijpbaarder het soms wordt. Dan dringt bij mij het besef door dat we niet meer dan een tip van deze sluier hebben opgelicht. Het enige wat we zeker weten, zei de Griekse wijsgeer Socrates al, is dat we niets weten. De tijden veranderen, wordt er vaak beweerd, maar sommige dingen misschien niet. Bovendien, de tijd, dat zijn wij. Is er veel veranderd aan het gevoelsleven van de mens in de loop der eeuwen? Ik geloof het niet. Al was het maar, omdat honderden jaren oude muziek, zoals die van Couperin, ons nu nog steeds kan ontroeren.”In Van Asperens ogen zullen er altijd vragen blijven over hoe je componisten als Couperin en Bach vertolkt. De noten – hoewel het belangrijkst – zijn slechts voor een deel het antwoord. „Een musicus moet nog duizend-en-één besluiten nemen: over het tempo, over verloop en afronding van muzikale zinnen, over accenten, parallellen, contrasten, over afwijkingen, zeg maar ‘fouten’.” Want het wezen van de muziek, weet hij, staat niet alleen in de noten, maar ook ertussen. Of het was – in de vorm van ongeschreven tradities – alleen in de geest en ziel van de zeventiende-eeuwse vertolkers gekerfd. „Het gaat er niet om wat ik met de partituur kan doen. Het werkt eerder omgekeerd. Wat doet de partituur met mij? Ik moet de droom van Couperin hervinden. Kennis en onderzoek helpen, maar niet alles staat in boeken. En wanneer je voor je gevoel even samenvalt met de muziek, een kort moment de waarheid ervan aanraakt, dan kun je achteraf vaak niet uitleggen wat er precies gebeurde. Het hoort bij de aard van muziek: zij is nooit af, nooit volmaakt. Zelfs Bach bleef schaven aan zijn stukken, lang nadat ze naar de drukker waren.”Klavecimbel met dubbel klavier met in de binnenkant twee originele schilderijen die de strijd tussen Apollo en Pan weergeven op basis van ‘Het oordeel van Midas van Hendrick Goltzius’ (1590).
Foto Rijksmuseum
OpenbaringVan Asperen draagt het vierde Couperin-album op aan – de achttien jaar geleden gestorven – Wilfried Reichsfreiherr von Landsberg-Velen, de man die voor hem „de wonderbaarlijke wereld van Ruckers opende”. Diens voorvader Alexander de Jonge van Velen, een veldmaarschalk in de bloedige Dertigjarige Oorlog (1618-1648), kocht een instrument van de Antwerpenaar Joannes Ruckers, begin zeventiende eeuw de Stradivarius onder de klavecimbelbouwers. Drie jaar terug leende de Duitse familie dit kunstwerk uit aan het Rijksmuseum, maar voordien wist Van Asperen de erfgenamen van zijn adellijke vriend over te halen hem dit kostbare klavecimbel enkele dagen ‘mee te geven’ voor zijn Couperin-opnamen. De componist bespeelde vermoedelijk ook zo’n zangerige Ruckers, waarop de karakteristieke Franse douceur goed tot haar recht komt, de tedere speelstijl die een tijdgenoot vergeleek met het strelen van een kind.Voor Van Asperen was het instrument een openbaring. „Het klavecimbel stelde me in staat de klank voort te brengen zoals ik haar vooraf in mijn hoofd hoorde. Het lijnenspel van de meerstemmigheid en de samenklank werden als het ware vloeibaar. Onbeschrijfelijk mooi. Plotseling hoor je niet meer dat het om een getokkelde snaar gaat. Dan is het alleen nog muziek.”

Nieuwsbrief
NRC Cultuurgids

Wat moet je deze week zien, horen of luisteren? Onze redacteuren recenseren en tippen

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *