Op zoek naar een plaats tussen de sterren




Je weet wat ze zeggen. Trek je jas niet uit voor de veertigste mei. Het kan nog koud worden, het kan nog altijd hagelen en sneeuwen, dus houd je jas aan, laat het vuur niet uitgaan, haal de dekens nog niet van de bedden. De zomer begint pas na de veertigste mei.Op 7 juni in het jaar 1932 vraagt de dichter Slauerhoff per brief aan de schrijver F.C. Terborgh waar hij moet gaan wonen. Over een paar dagen zal hij vanuit Malaga naar Lissabon vertrekken, maar hij verwacht er niet veel van. „Het is wel zaak dat ik eens weet waar een heenkomen is.” Eerdere verhuistips die collega Terborgh hem gaf zijn onbruikbaar; Madrid bijvoorbeeld is geen optie. „U kent de spreekwoorden overjas tot de veertigste Mei en: el aire es tan sutil que mate un hombre y avive un candel of zoiets.”Wacht, hier begint mijn innerlijke censor te protesteren. Er bestaat helemaal niet zo’n datum als de veertigste mei, zegt hij. Mei heeft eenendertig dagen. De veertigste mei is gewoon de negende juni. En de schrijver F.C. Terborgh heet eigenlijk Reijnier Flaes. En volgens het spreekwoord is de lucht in Madrid niet zo subtiel „dat ze een man doodt en een olielamp aansteekt”, maar zo subtiel „dat ze een man doodt en een olielamp niet dooft”. El aire de Madrid mata a un hombre y no apaga un candil.Kan mij het schelen, zeg ik tegen de censor. Zeur niet. Ik kan haast niet wachten tot ik mijn jas aan de kapstok kan hangen. Het is winter, de lamp is uit, de olie is op en ik heb al mijn zinnen gezet op de veertigste mei. Dan zal ik mijn heenkomen zoeken in een betoverde tuin waar vreugdevuren me bevrijden van het kwaad en de verkilling in mijn hart. Ik zal een plaats vinden waar de lucht een mens weer tot leven wekt. Nee, zegt mijn innerlijke censor. Luister. Zo gaat dat niet. Je bent een gezaghebbende stem in het openbare debat, dat zeggen ze allemaal, en dus moet je je dienovereenkomstig gedragen. Voor de tijd van corona mocht je je romantische verlangens best eens uitjubelen, maar dit voorjaar is anders. Je kunt nu niet over reislust en Fernweh schrijven zonder te zeggen wanneer je wordt gevaccineerd. Reizen is onder de huidige omstandigheden sowieso af te raden. En de Romantiek is een verdachte stroming in de westerse ideeëngeschiedenis.Het liefst zou ik nu mijn vingers in mijn oren stoppen om de innerlijke censor niet te horen en dan heel luid een liedje zingen van de dichter Westbroek. „Ik wil weg uit Nederland, want hier krijg ik het benauwd. Is er leven op Pluto, kun je dansen op de maan? Is er een plaats tussen de sterren waar ik heen kan gaan?” Maar ik beheers me. De censor is een serieus te nemen instantie. Hij is een mix van de NRC-lezer, mijn geïnternaliseerde opvoeder, Batavus Droogstoppel en de overheid.Schrijven is niet zo moeilijk, zeg ik soms tegen studenten. Maar gelezen worden is een vak. Ik weet zelf niet eens precies wat ik ermee bedoel, maar ze zoeken het maar uit. Je gooit een steen in een vijver en je hebt geen controle over de kringen die ontstaan; of je bent verantwoordelijk voor de misverstanden die ontstaan, maar je kunt ze niet voorkomen. Je hebt het niet voor het uitkiezen door wie je gelezen wordt, dat is ook nog zo wat. De censor heeft net als ik bedenkingen wanneer hij verneemt dat je straks alleen in de appwinkels van Google en Apple de app (oftewel het coronapaspoort) kunt krijgen die toegang biedt tot de samenleving. Hij voelt de koude rillingen over zijn rug lopen als hij leest dat een voorstel van de Europese Commissie volop ruimte laat voor biometrische massasurveillance. Hij is net als ik een ouderwetse mensenrechtendenker, een overtuigde duif, maar anders dan ik is hij ervan overtuigd dat alles in de wereld vanzelf goed komt en dat maakt hem hard. De Tweede Kamer en de Europese Commissie zorgen voor ons, zegt hij, en als zij langs democratische weg besluiten de macht in handen te geven van bedrijven, wie ben jij dan eigenlijk om je daartegen te verzetten? Hij maakt bezwaar tegen mijn emigratieplannen, zelfs al zijn ze van poëtische aard, omdat er geen land zo paradijselijk is als het onze. Waar zou ik naartoe willen? Zijn censuur is zo subtiel dat ze mijn verhaal in de war stuurt, maar mijn liedje niet dooft. Of mijn liedje in de war stuurt, maar mijn gelijk niet onderuit haalt.Weet je wat, zeg ik tegen mijn innerlijke censor. Blijf jij maar thuis. Ik heb mijn zinnen gezet op de veertigste mei en ik kan haast niet wachten tot ik mijn jas aan de kapstok kan hangen. Dan ga ik op zoek naar een hoge berg tussen de sterren, waar ik mijn hart vul met olie, zoals de Spanjaarden zingen. Ik maak de vlam wakker en ga onder een groene den slapen met lampioenen aan de takken.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 11 mei 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *