Pensioendiscussie draait om de verkeerde vragen

Pensioendiscussie draait om de verkeerde vragen

[ad_1]


Onze pensioenleeftijd, we houden niet op erover te bakkeleien. De gemiddelde leeftijd waarop we met pensioen gaan is inmiddels gestegen tot 65,5 jaar, meldde het CBS dinsdag. De vakbonden reageerden not amused. Mensen met zware lichamelijke beroepen zouden eerder moeten stoppen met werken, vinden ze. Een paar dagen ervoor had demissionair minister Koolmees (Sociale Zaken, D66) ook al aan de Tweede Kamer laten weten dat hij niks ziet in een automatisch pensioen na 45 dienstjaren. Toen reageerden de vakbonden zelfs verbolgen. De vakbonden hebben natuurlijk gelijk dat zwaar lichamelijk werk niet eindeloos vol te houden is. Van je 17de tot je 67ste straatstenen leggen of dozen sjouwen trekt bijna geen mens. Toch denk ik dat de bonden daaruit de verkeerde conclusies trekken. Hun uitgangspunt zou moeten zijn: zulk ongezond zwaar werk zo snel mogelijk uit onze economie wegautomatiseren. Zoals we dat met veel ander zwaar lichamelijk werk al eerder deden. Zo heeft de komst van containers het werk van havenarbeiders draaglijker gemaakt. En landbouwmachines hebben het vak van boer aantrekkelijker gemaakt. Maar met dat verdwijnen van zwaar lichamelijk werk waren de vakbonden paradoxaal genoeg helemaal niet blij. Want daarmee gingen honderdduizenden banen verloren. In 1900 werkte nog ruim een derde van onze beroepsbevolking in de landbouw (wat toen absoluut geen pretje was). Nu is dat nog maar 2 procent. Na de landbouw verdween het zware lichamelijke werk uit onze industrie. Door die verkeerde focus is de onderliggende aanname in de pensioendiscussie nog steeds dat werk vervelend is en dat mensen blij zijn als ze van hun welverdiende rust mogen genieten. Ik heb in de loop van mijn leven redelijk wat mensen dat paradijs van welverdiende rust zien binnenwandelen. De meesten werden daar niet gelukkiger van. De meest avontuurlijken kochten een camper en reden met zijn tweeën naar de Noordkaap. Maar na een paar maanden van camping naar camping trekken en in het ochtendzonnetje thermoskoffie drinken op een klapstoeltje, ging dat toch vervelen. Terug in Nederland voelden ze zich ‘een beetje leeg’ en geen deel meer uitmaken van de samenleving. Oppassen op kleinkinderen gaf sommigen dat zingevingsgevoel een beetje terug; anderen zochten hun heil in vrijwilligerswerk of onnodige bijverdiensten. Van het organiseren van de bingo op het volkstuincomplex tot aan een Airbnb bij de woning in Frankrijk om de eenzaamheid te verminderen. Hoe meer ze hun dagen daarmee konden vullen, hoe gelukkiger ze waren, kreeg ik de indruk. Ik ken er ook die oprecht probeerden van hun welverdiende rust te genieten en dus helemaal niks gingen doen. Ik zag ze wegkwijnen in chagrijn, klagen over kwaaltjes en ergernis aan het gedrag van de buren of van de partner. Werken is geen straf. Werken is zingeving, gemeenschapsgevoel en een probaat middel tegen gepieker en zelfbeklag. En zo lang we er de gezondheid voor hebben, moeten we dat vooral blijven doen, het liefst tot de dood erop volgt. Hoewel we dat bijna allemaal (onbewust) wel weten, blijven we naar werk en pensioen kijken alsof we nog in de negentiende eeuw leven. Werk als sloper des lichaams en bederver van levensvreugde. Zolang we daar (impliciet) aan vasthouden, draait de pensioendiscussie om de verkeerde vragen. Waar de discussie wel om zou moeten draaien: hoe we in ons werk omgaan met de langzame afname van onze kracht en energie. Voor de hand ligt dat we parallel daaraan ook langzaam wat minder uren gaan maken. En misschien wat minder verantwoordelijkheden dragen, al is dat – zie de huidige president van de Verenigde Staten – van persoon tot persoon sterk verschillend. In plaats van abrupt met pensioen gaan – van 100 procent werken naar 100 procent niks doen – zou dat veel geleidelijker moeten. En onze carrière zou naast een weg omhoog, ook weer een weg omlaag moeten kennen. Langzame demotie op het moment dat we daaraan toe zijn, in plaats van louter promotie totdat het pensioen ons scheidt van ons werk. En wie een bepaald beroep niet langer volhoudt – lichamelijk of psychisch – zou in plaats van vervroegd pensioen veel beter af zijn met heel ander werk. Mogelijkheden voor om- en bijscholing in plaats van de hoogte van de AOW-leeftijd, daar zouden de vakbonden vooral op mogen hameren. Arbeidsinclusiviteit, dat moet de kern worden van onze discussie over werk en leeftijd. Leuk en zingevend werk voor iedereen tot op zo hoog mogelijke leeftijd. Waarbij iemands drijfveren, gezondheid en vooral werkplezier het uitgangspunt vormen. Laten we op werkgebied gewoon niemand meer buitenspel zetten. Of die persoon nou 63 of 77 is. Aylin Bilic is ondernemer en publicist.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 15 april 2021

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *