Roepende in de groene woestijn




Soms raak je nogal chagrijnig van het nieuws, ook van het niet-wereldnieuws. Of misschien juist, omdat landschapsbeheer of het gebrek daaraan de leefomgeving en het leefgeluk zo aantasten: zonnepanelen in of aan de rand van natuurgebieden, windmolens vlak bij dorpen. We hebben toch al zo lekker veel natuur, stilte, duisternis en landschap. Lelijk, lelijk, ach wat is lelijk. De Groninger gedeputeerde Nienke Homan (GroenLinks) wist onlangs in het Dagblad van het Noorden te vertellen dat het vooral „de gemiddelde blanke man van 65-plus” is die bezwaar maakt tegen dergelijke locatiekeuzes. Jongeren zijn daar niet mee bezig, zegt ze. Oudere mensen zijn zich veel meer bewust van de omgeving, meent ze, en dat keurt ze duidelijk niet goed. „Je kunt niet overal nee tegen zeggen”, berispt ze degenen die denken dat er in overleg andere mogelijkheden zouden moeten zijn. Het klinkt zo mooi, ‘duurzame energie’. En de bijbehorende investeerders doen ook nog eens of ze de wereld komen redden. Maar we weten allang dat dat niet bepaald hun oogmerk is – de turbine-maffia heeft niemands dan het eigen welzijn op het oog. Natuurlijk ben ik niet tégen windmolens, dat zou een nogal eigenaardig standpunt zijn. Maar dat is iets anders dan reusachtige turbines opstellen op plaatsen waar mensen en dieren er last van hebben en dan zeggen, in koor met deze Homan: „Het kan niet zo zijn dat een windmolen niet goed is, dat het niet bij mensen kan en ook niet in de natuur. Het kan niet hier, het kan niet daar.” Nee, dat klopt. De windmolen kan niet hier en niet daar, die moet staan op plaatsen die daar geschikt voor zijn, bij bestaande bedrijventerreinen die toch al lelijk en landschapsvernietigend zijn bijvoorbeeld. Het klotsen en ruisen van water, het zoemen van een hommel, vogelgetjilp, onduidelijk gekraak in takken, een merel die zingt. Doodnormale geluiden van de soort die stilte-onderstrepend en gelukkigstemmend werkt. In Trouw werd een tijd geleden bericht over Amerikaans onderzoek dat aantoonde dat mensen zich meetbaar beter voelen als ze natuurgeluiden horen, ze hebben een lagere bloeddruk, concentreren zich beter, ervaren minder pijn. Maar die geluiden zijn steeds minder hoorbaar en volgens GroenLinks in Groningen zijn het dus alleen oude witte mannen die opknappen van zulke geluiden.Intussen maakt het boerenland een mens vaak wanhopig. Die enorme vlaktes met eenvormig groen waar je geen geluid hoort, geen bloem ziet. Weidevogels verdwijnen waar we bij staan, de grutto, onze zogenaamde ‘nationale vogel’, moet nu gered worden. „Hoewel ook andere factoren meespelen, blijken ontwikkelingen in de agrarische sector funest voor grutto’s, met ontwatering en vroeg maaien als belangrijke factoren,” schrijft Sovon Vogelonderzoek Nederland. We horen dat boeren aan natuurbeheer zullen doen, en dat we dus vooral niet moeten praten over minder vee of minder dodelijk groen. Er zijn gelukkig zeker boeren die dat willen, maar dat zijn nu weer niet de boeren met enorme varkensstallen of vierkante kilometers raaigras dat ze al vroeg in het voorjaar maaien, met weidevogels en al. Die zeggen net als die boer in de documentaireserie De boerenrepubliek: „Van biodiversiteit kun je niet leven”. Hij heeft gelijk. Boeren zijn er niet voor de natuur, maar voor productie. Je moet niet aan de Belastingdienst vragen om toeslagen uit te keren en niet aan boeren om natuur te beheren, tenzij je duidelijk maakt dat de natuur en de omgeving er écht toe doen en dat je daarvoor wilt betalen. We roepen het nog maar weer eens in onze groene woestijn: denk aan het geluk en het welzijn van de mensen! Maar de woorden verwaaien in het gesuis van windmolens langs zwijgende, levenloze akkers.
Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 7 juni 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *