Tata Steel: van industrietrots tot grote vervuiler

Tata Steel: van industrietrots tot grote vervuiler

[ad_1]


Wat ziet de Nederlander als hij de staalfabriek van IJmuiden aanschouwt? Decennialang was het antwoord simpel: een icoon van de nationale industrie. Een belangrijke werkgever. Een fabriek die een onmisbaar product maakt dat in auto’s, fietsen, windmolens, bierblikjes en straatprullenbakken gaat.
De laatste jaren zien veel Nederlanders iets heel anders. Één van de grootste vervuilers van het land, verantwoordelijk voor 7 procent van de CO2-uitstoot, en verspreider van ongezond fijnstof. Een fabriek die door fusies en overnames deel uitmaakt van een internationaal concern – het Indiase Tata – dat vooral geïnteresseerd is in winst.

Nog niet eens zo heel lang geleden gold: wat Hoogovens – zoals het bedrijf ooit heette – doet, is goed. Maar de fabriek, met 9.000 werknemers één van de grootste van Nederland, staat nu meer ter discussie dan ooit.
De families Pitstra en De Vries maakten deze geschiedenis van dichtbij mee. De beide vaders Johan (65) – net gepensioneerd na 48 jaar werk als productiemanager in de verpakkingsstaalfabriek – en Dirk (56) – ruim 35 jaar in dienst, nu ‘chef van de wacht’ in Oxystaalfabriek 2 – weten niet anders dan dat staal maken hun leven is. Hun kinderen, Sonja Pitstra (35) en Job de Vries (25), gingen hun vaders achterna en werken ook bij Tata Steel, bij respectievelijk de afdeling die klanten helpt om te gaan met de producten, en als lasser bij de Hoogovens Technische Dienst.
NRC sprak met deze twee generaties over werken bij ‘IJmuiden’. Over twee totaal andere tijdperken. Over een product te maken dat iedereen gebruikt, in een fabriek die veel mensen tegenstaat, en die voor grote uitdagingen staat om te overleven – niet in de laatste plaats omdat eigenaar Tata Steel er vanaf wil. Geen van de geïnterviewden sprak eerder met de media.
Wat gebeurt er binnen de poort?
De Hoogovens kun je de rode draad in beide families noemen. De vader van Dirk de Vries werkte ook al in de fabriek, als opzichter bij de afdeling Kranen. Dat geldt ook voor zijn oom. Aan de eettafel thuis in Beverwijk ging het altijd over de Hoogovens. „Dat maakt gewoon dat je nieuwsgierig bent.” Wat gebeurt er ‘binnen de poort’, op dat gigantische terrein?
Dirk de Vries ging zelf in 1985 aan de slag, bij de afdeling Ertsvoorbereiding. Daar stond hij opeens in hetzelfde badlokaal als zijn schoonvader – die werkte óók al in de fabriek, net als De Vries z’n eigen vriendin. „Als mannetje van een jaar of twintig dacht ik: wat moet ik zeggen? Kan ik hem bij z’n voornaam noemen?” Dat bleek te kunnen. „Je bent al snel familie van elkaar in het bedrijf. Dus het was al gauw: Hé Willem, goeiemorgen.”
In de jaren tachtig waren thema’s als klimaatverandering en uitstoot nog ver weg. Sterker, het was de eindfase van de periode waarin het bedrijf gold als hoeksteen van de samenleving. Een onderneming die het hart vormde van de lokale gemeenschap. Op een terrein naast de fabriek runde het bedrijf een fietsenmaker en een kas voor planten op kantoor of kerststukjes. Via speciale bedrijfsregelingen konden werknemers goedkoop op vakantie naar Appelscha of Ermelo, of zelfs voordelige hypotheken afsluiten. In delen van Velsen stonden huizen die speciaal gebouwd waren voor de werknemers van de fabriek.

Johan Pitstra (nu met pensioen, werkte bij TSP, de fabriek voor verpakkingsstaal) en zijn dochter Sonja Pitstra (Technical Consultancy Services – technische klantondersteuning).
Foto Olivier Middendorp

Het leidde tot saamhorigheid. Een Hoogovens-gevoel. Dat deelde je niet alleen met elkaar, maar ook met het product. „Ik heb collega’s gekend die geen bier uit flesjes dronken”, zegt Johan Pitstra, wiens vader óók in de fabriek werkte. Alleen bier uit blik was acceptabel.
Pitstra begint in de jaren zeventig op de elektrische werkplaats. Daar geniet hij ervan om te werken met de „top van de techniek”. „Je bent niet met een stofzuiger bezig of zo.” Met collega’s repareert hij gigantische installaties. „Dat is gewoon inspirerend. Ook bij de productie: daar heb je die bergen met grondstoffen, en die worden dan een blikje. Dat maakt zoveel indruk.”
Het is precies dat gevoel dat ook Dirk de Vries zo aansprak aan het werk in de fabriek: wat je maakt, zie je overal terug. In auto’s van BMW, in de batterijtjes van Duracel. „Dan koop ik zo’n pakketje, en dan denk ik… dat is echt fantastisch.”
Johan Pitstra: „Ik denk dat iedereen in z’n werk zoiets nodig heeft, zo’n terugkoppeling.”
De kinderen van beide gezinnen worden al jong geconfronteerd met de passie van hun ouders. Sonja Pitstra voelt er wel wat voor om stage te lopen bij het bedrijf, na haar studie. Ze is van kinds af aan al enthousiast als ze de fabriek binnenstapt, van de geluiden en geuren.
Job de Vries is in eerste instantie sceptischer. „Ik dacht: het is zo groot, ik word een nummertje.” Maar zodra hij een keer met zijn vader meeloopt en de Oxystaalfabriek binnenstapt, is hij ook om. „Dan zie je die pannen vloeibaar staal en ruwijzer.” Net als bij vader Pitstra trekt de omvang van de installaties hem enorm. „Van buiten is het groot, maar binnen lijkt het nog tien keer groter.”
Het internationale staalconcern waar beide kinderen de afgelopen jaren aan de slag zijn gegaan, is een ander soort bedrijf dan waar hun ouders ooit begonnen. De Europese staalindustrie is sinds het begin van de eeuw totaal getransformeerd. In een poging in deze moeilijke markt overeind te blijven, zijn veel staalbedrijven de afgelopen decennia gefuseerd. De Hoogovens gaan in 1999 samen met British Steel en vormen Corus, waardoor het bedrijf opeens een internationaal concern wordt. Later volgt de overname door het Indiase Tata.
Kanteling na grafietregens
Maar het zijn niet alleen de economische omstandigheden die om aanpassing vragen. Door klimaatverandering komt er steeds meer kritische aandacht voor de enorme CO2-uitstoot van de staalindustrie. In IJmuiden groeit de afgelopen jaren het besef dat om als bedrijf te overleven, het hele proces van staalmaken moet veranderen. Maar daarvoor bestaat geen makkelijke oplossing, en welke route er ook gekozen wordt, er zijn miljarden mee gemoeid.
En dan verslechtert de laatste drie jaar ook nog eens de relatie met de omgeving: met name na de niet-toegestane grafietregens in 2018 – grote stofwolken met gevaarlijke stoffen – zijn omwonenden kritischer naar de fabriek gaan kijken.
De grafietregens zijn inmiddels gestopt en Tata voldoet aan de Europese normen, maar de discussie over de impact van het fijnstof dat uit de fabriek afkomstig is, is nog altijd springlevend. Zo bleek recent nog dat in de omgeving relatief meer gezondheidsklachten voorkomen, zoals maag- en huidklachten. Eerder was al duidelijk dat er in de omgeving relatief veel longkankergvallen zijn. Het RIVM, dat de onderzoeken deed, wil dit overigens nog niet direct aan de staalfabriek toeschrijven.
IJmuiden bevindt zich, kortom, in een precaire situatie: een die in de geschiedenis van de fabriek nog nauwelijks eerder is voorgekomen. Het maakt het werken voor de fabriek op sommige vlakken meer gespannen dan in de twintigste eeuw. Overal op het terrein hangen nu borden: zie je iets wat overlast kan veroorzaken? Meld het dan. Ga je ’s avonds weg na je dienst? Sluit dan de deur van een fabriek – dat kan al geluidsoverlast schelen.
Bijna wekelijks verschijnen er negatieve berichten over de fabriek, met name over de overlast. En dat is lastig als een bedrijf ook je trots is. Sonja Pitstra: „Ik word er soms wel een beetje verdrietig van. Ik zie dat we ons best doen om het beter te maken.” Job de Vries: „Ik denk altijd: we zijn ermee bezig, het heeft geld en tijd nodig. Het is lastig dat je dan steeds vaker met je neus erin gedrukt wordt.”
Tata Steel heeft plannen om de fijnstofuitstoot terug te dringen, bijvoorbeeld door filterinstallaties te bouwen. Terecht, vinden de werknemers ook. De hoop van de vier is dat de discussie over de overlast daarna minder fel wordt. Want, zo is het gevoel: als deze staalfabriek niet kan werken, welke dan wel?
Hier in Nederland wordt het staal op relatief schone wijze gemaakt – de werknemers moeten er zelf ook niet aan denken in de berucht vieze Zuid-Italiaanse Ilva-staalfabriek te werken. En voorlopig kunnen we echt niet zonder het materiaal. „Maar goed, ik snap ook wel dat als je ernaast woont, je het misschien niet in die context bekijkt”, zegt Job de Vries.
Persoonlijk aangesproken worden de vier naar eigen zeggen nauwelijks vanwege hun werk. Ze kennen vooral mensen die zelf ook een band hebben met de Hoogovens. „Al mijn vrienden werken ook hier”, zegt Job de Vries. Sonja Pitstra heeft wel een keer in de groepsapp van haar oude studie een krantenartikel toegestuurd gekregen. Ze stelde een wedervraag: maar waar is je auto van gemaakt?
Lekker staal maken
Voor de toekomst van de fabriek zeggen de vier niet te vrezen. IJmuiden is doorgaans winstgevend (gemiddeld ongeveer 300 miljoen euro per jaar, op een omzet van enkele miljarden), wat je van veel andere staalfabrieken in Europa niet kan zeggen.
Maar helemaal gerust is vader Pitstra niet. „Het is uiteindelijk een politieke keuze.” Besluit Den Haag bijvoorbeeld om de normen in de regio strenger te maken dan in de rest van Europa, zoals de fabriek en maar de provincie Noord-Holland wil? En wil het eventueel bijdragen aan het vergroenen van de fabriek? „Het is goed dat de maatschappij kritisch meekijkt bij wat je doet. Maar je moet niet denken dat het land bestaat uit leraren en politieagenten.”

De trots is er nog. Maar de voorzieningen voor werkers zijn er niet meer, en in het concern is Engels nu de norm

Vader De Vries: „Ik maak me geen zorgen dat Job zijn pensioen niet meer haalt.” Sterker nog: hij zou de zus van Job ook graag bij bedrijf hebben. „Ze doet hbo HR-management.” Grappend: „Ik houd hier de vacatures netjes in de gaten.”
Want waarom niet? Er is veel veranderd, maar één ding is in ieder geval hetzelfde gebleven: de trots en de saamhorigheid. Er zijn geen gemeenschappelijke voorzieningen meer, in het internationale concern is communiceren in het Engels bij veel functies de norm geworden. Sonja Pitstra weet niet anders of ze heeft Britse collega’s die Nederlanders erg direct vinden. Of Britse collega’s waarbij ze de baas standaard in de cc zet wanneer ze hen mailt – omdat dat aan de overkant van de Noordzee nu eenmaal de cultuur is.
Toch zegt ze: „Ik voel me vooral Hoogovens.”
Vandaag de dag krijg je dan misschien geen huis meer van de zaak, maar als je een huis koopt, kun je je collega’s zo aanspreken om een muurtje te komen leggen. Job de Vries: „Bij de technische dienst hebben veel mensen naast hun werk een hobby zoals sleutelen aan scooters of auto’s.” Als je dan een tegelzetter nodig hebt, hoef je nooit lang te zoeken. „Of als je fiets stuk is, kan die zo naar een collega die hem even gaat repareren.”
En dan is er nog die ene andere reden om bij de fabriek te werken: staal blijft staal. En dat wil je maken. Als Sonja Pitstra op de snelweg een DAF-truck ziet rijden, denkt ze altijd meteen: daar gaat staal van dát type in, met die sterkte.

Lees ook: FNV bepleit groen plan voor toekomst Tata Steel

Weet je wat het is, zegt Dirk de Vries? Je kunt als personeelslid wel wakker liggen van alle discussies, maar je kan beter gewoon doen waar je goed in bent. „Ik zeg weleens tegen de jongens in de fabriek: ja, je hoort dit, je hoort dat – stop ermee. Wij gaan lekker staal maken. Het enige waar wij invloed op hebben, is zorgen dat die plak staal er goed uitkomt.”

Luister ook naar de aflevering van de economiepodcast Onder de Streep over Tata Steel in IJmuiden van afgelopen dinsdag 11 mei.
nrc.nl/audio

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 15 mei 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 15 mei 2021

[ad_2]

admin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *