Te lang is gedaan alsof de natuur gratis is. Valt de waarde van natuur te meten?




De Statistische Commissie van de Verenigde Naties heeft onlangs een besluit genomen dat vergaande gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de welvaart van landen. Tot nu toe is die vrijwel uitsluitend berekend op basis van het bruto binnenlands product (bbp), ofwel de waarde van alle binnen de landsgrenzen geproduceerde goederen en diensten. Maar het effect op natuur en aarde is daarin niet meegenomen. Daarom is er sinds kort een meetmethode bijgekomen: de zogeheten natuurlijkkapitaalrekeningen zijn officieel erkend als statistische standaard.
Bij de presentatie van het 360 pagina’s tellende boekwerk waarin deze methode wordt beschreven, sprak VN-chef António Guterres vorige maand van een grote stap, die ertoe moet leiden dat landen meer oog krijgen voor de waarde van hun natuurlijke kapitaal. De afgelopen vijftig jaar is de wereldeconomie volgens Guterres bijna vijf keer zo groot geworden en dat is ten koste gegaan van het milieu. „Natuurlijke hulpbronnen spelen op dit moment geen rol in de manier waarop landen hun welvaart berekenen”, zei hij. „Het huidige systeem is gericht op vernietiging, niet op behoud.”
Bezwaren tegen het bruto binnenlands product als welvaartmeter zijn niet nieuw. Zelfs volgens de meeste voorstanders ervan is het bbp een te ruwe en te beperkte maat. Maar het is wel de enige die investeerders serieus nemen. En hij heeft gevolgen voor het vertrouwen van consumenten, de huizenprijs en datgene waar kiezers politici op afrekenen.
Milieuschade
De natuurlijkkapitaalrekening moet een van de grootste problemen van het bbp aanpakken: dat milieuschade er geen deel van uitmaakt. Natuur is in het bbp onzichtbaar. Simpel gezegd komt het erop neer dat een boom in het bbp pas meetelt als hij wordt gekapt. En alleen door natuurgrond te veranderen in bouwgrond of akkerland, groeit de welvaart. Zeker voor een klein land als Nederland, waar grond uiterst schaars is, is dat problematisch. Ook lucht- en watervervuiling spelen in het bbp niet mee, opruimen van de rotzooi verhoogt de welvaart echter wél.
„We hebben de natuur behandeld alsof ze gratis en grenzeloos is”, aldus Elliott Harris, topeconoom bij de VN. „We hebben haar aangetast en uitgeput, zonder echt te beseffen waar we mee bezig waren en hoeveel we daarbij zijn kwijtgeraakt.”

We hebben de natuur aangetast en uitgeput, zonder echt te beseffen waar we mee bezig waren en hoeveel we daarbij zijn kwijtgeraakt
Elliott Harris topeconoom bij de VN

De natuurlijkkapitaalrekening biedt landen volgens Harris een instrumentarium om natuur te meten. Ook al resulteert dat niet, zoals het bbp, in één getal, maar in een breed scala aan indicatoren, het is belangrijk. Want: „Wat we meten, waarderen we, en wat we waarderen, beheren we.”
Volgens de Verenigde Naties is meer dan de helft van het mondiale bbp afhankelijk van het natuurlijke kapitaal van de aarde – variërend van bestuiving door bijen, wateropname door bossen en het gebruik van wilde planten voor medicijnen. Tegelijkertijd is dat kapitaal alleen al de afgelopen twee decennia met 40 procent afgenomen. De mensheid heeft met haar economische activiteiten driekwart van het landoppervlak en twee derde van het wateroppervlak van de aarde flink veranderd.
Ruim honderd ecologen, statistici en economen uit tientallen landen op alle continenten hebben jaren gewerkt aan het principe van de natuurlijkkapitaalrekening. Lars Hein, milieusysteemanalist aan Wageningen University, is een van hen. „Echt uniek”, noemt Hein het feit dat de methode in „relatief korte tijd” is goedgekeurd.
De monetaire waardering
De eisen van de Statistische Commissie van de VN zijn hoog, vertelt hij in een videogesprek. „Alle statistische bureaus in de wereld hebben ernaar gekeken. Ze hebben hun eigen zorgen en technische inbreng gehad, van de Europese Unie tot de VS en China. Nu alle kritiek is verwerkt, zijn de meetmethodes, definities, gehanteerde concepten en indicatoren officieel tot statistische standaard verheven. Er zijn nog wel vragen over de monetaire waardering van ecosystemen. Daarom is dat deel nog niet officieel aangenomen. Maar ook die methode wordt al wel door de VN aanbevolen.”
Hein heeft grote verwachtingen van natuurlijkkapitaalrekeningen bij het in kaart brengen van de welvaart van een land. „Voor het eerst is er nu een degelijke manier om duurzaamheid te meten en te vergelijken”, zegt hij. „Als ik een palmolieplantage neerzet en ik verlies daardoor een bos, is dat dan positief of negatief? Het eerlijke antwoord is: soms wel en soms niet. Dat hangt bijvoorbeeld af van de degradatie in het bos, en of dat in een veengebied ligt. Maar de vraag is: hoe meet ik dat? Overheden hebben meestal geen idee van de waarde van een bos. Nu kunnen we dat inzichtelijk maken. En daarmee wordt in ieder geval de trade-off duidelijk. Voor veel bossen is de optelsom van de waarde van CO2-opslag, waterregulering en andere diensten hoger dan de opbrengst van een oliepalmplantage. Ook kan je met deze methode biodiversiteit beter meten en meewegen in de besluitvorming.”
Monitor Brede Welvaart
Lars Hein werkt nauw samen met een team van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) dat opdrachtgever was van het Nederlandse deel van het onderzoek.
Het CBS is blij met de nieuwe standaard. Ter aanvulling van het bbp werkt het al enige jaren met de ‘Monitor Brede Welvaart’. Het natuurlijke kapitaal maakt daar deel van uit, maar is veel fijnmaziger. De monitor gebruikt ongeveer twaalf indicatoren om een globaal beeld te geven van natuurlijk kapitaal. Terwijl er voor Nederland al zo’n tachtig kaarten gemaakt zijn van de omvang van ecosystemen, hun conditie en de ‘diensten’ die ze leveren. Dat er met kaarten wordt gewerkt, dat het dus ‘ruimtelijk-expliciet’ is zoals ze dat bij het CBS noemen, vindt het bureau ook een pluspunt.
Ook internationale vergelijkingen worden mogelijk nu al ruim veertig landen, en ook de denktank van geïndustrialiseerde landen OESO, de Europese Commissie, de Wereldbank en het IMF het principe van de natuurlijkkapitaalrekeningen omarmd hebben.
Hoe groot is de CO2-voetafdruk van Nederland als importeur van palmolie uit Indonesië of soja uit Brazilië?

Nederland zou bijvoorbeeld de impact van de omvangrijke Nederlandse handel op natuur en milieu kunnen uitrekenen. Hoe groot is de CO2-voetafdruk van Nederland als importeur van palmolie uit Indonesië of soja uit Brazilië? Tot nu toe werd daarbij alleen gekeken naar de uitstoot die vrijkomt bij het transport ervan.
Hein benadrukt dat niet alles in geld kan worden uitgedrukt: natuur heeft ook een intrinsieke waarde. Toch kan hij zich voorstellen dat landen op termijn naast het gewone bbp ook een ‘groen bbp’ gaan berekenen. China experimenteert daar al mee. „De Chinese regering berekent al een ‘bruto ecologisch product’. De modellen zijn nog grof en beperkt in reikwijdte, maar ze geven China wel meer inzicht in de gevolgen van diens economische beleid voor het milieu.”
Hein hoopt dat de natuurlijkkapitaalrekening de wereld een beetje zal veranderen. „Het gaat niet goed met onze ecosystemen en met ons natuurlijke kapitaal. Om het beter te doen, moeten we meten wat er gebeurt en weten waar de pijnpunten zitten. Om te begrijpen hoe we het anders moeten doen, hebben we ook de economische invalshoek nodig. Dit kan verschil maken.”
Filipijnen ecotoerisme, geen palmolieplantage
De gouverneur van het Filipijnse eiland Palawan wilde, om de economie te stimuleren, toestemming geven voor houtkap om ruimte te maken voor palmolieplantages. Een analyse op basis van de natuurlijkkapitaalrekening leerde dat het eiland, met zijn koraalriffen, bossen en zeer aantrekkelijke landschap meer verdient met ecotoerisme. De opbrengst daarvan, zowel financieel als in de vorm van werkgelegenheid, bleek hoger dan die van een palmolieplantage.
Daar kwam bij dat de bevolking op grote delen van het eiland nog geen goede drinkwatervoorziening had. Het eiland is langgerekt, waardoor tientallen kleine rivieren in zee uitkomen. Voor de drinkwatervoorziening is behoud van de bossen een vereiste, omdat die het water zuiveren en vasthouden. Zo is er ook in de droge tijd voldoende water beschikbaar.
Plantages zouden juist water aan de bodem onttrekken en tot vervuiling leiden. Dat zou ook de koraalriffen aantasten, wat weer ten koste zou gaan van het toerisme op het eiland.
 
Nederland hoge tol van melkboeren op veenweidegrond
Een vijfde van de Nederlandse melkproductie vindt plaats in veenweidegebied, met een hoog grondwaterpeil en een drassige bodem. Zo’n gebied is, met de huidige bedrijfsvoering, alleen geschikt voor melkveehouderij als er gedraineerd wordt. Door de daling van het grondwaterpeil komt het organische materiaal (plantenresten) uit de veengrond in aanraking met lucht en dat zorgt voor oxidatie. Dat leidt tot een CO2-uitstoot tot 45 ton per hectare per jaar en een bodem die inklinkt (tot 1 centimeter per jaar).
Bij een CO2-prijs van rond de 50 euro per ton bedragen de kosten van de CO2-uitstoot in deze gebieden meer dan 2.000 euro per hectare per jaar. De kosten van elektriciteit en onderhoud van drainageapparatuur, plus de schade aan funderingen van huizen en wegen als gevolg van drainage worden geschat op 1.000 tot 1.500 euro per hectare per jaar. Deze kosten zijn daardoor in veel gevallen hoger dan het bedrag dat de boer netto verdient aan de veenweidegebieden.
Andere afwegingen zijn: historische rechten van boeren, investeringen die ze hebben gedaan, hun rol in het landschapsbeheer, maar ook de stikstof- en methaanuitstoot door koeien, behoud van biodiversiteit, recreatieve mogelijkheden (en de rol van boerenbedrijven daarin). Alleen op basis van het volledige beeld kan een goede afweging worden gemaakt over wat er met een bepaald gebied moet gebeuren.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 3 april 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 3 april 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *