Teun Koopmeiners: ‘In Nederland zijn we goed in het maken en breken van spelers’




Tientallen jeugdspelers komen in hun knalrode trainingstenues het kunstgras opgerend als AZ-aanvoerder Teun Koopmeiners een ontboezeming doet. Wat hij daar beneden ziet, vanachter de hoge ramen met zicht op de trainingsvelden, is misschien niet wat hij voor zijn eigen kinderen zou willen. „Er zijn voetballers die niets liever willen dan dat hun zoon ook gaat voetballen. Maar ik ga mijn zoon niet de voetbalwereld induwen. Heb zelfs zoiets van: liever geen voetbal.” Waarom niet?„Met mijn vriendin heb ik het hierover gehad. Zou ik willen dat hij dezelfde route aflegt als ik? Natuurlijk, ik zou hem steunen als hij het echt wil, en kan. Maar clubs die kinderen al op zevenjarige leeftijd scouten … ik weet niet of ik dat zal toestaan. Best kans dat ik die brief van Ajax tot zijn tiende zou verstoppen, zoals mijn ouders bij mij deden toen ik zeven was. Tot die tijd moet je niet plat gebombardeerd worden met ‘goed eten’ en ‘op tijd slapen’.” Maar die jongetjes daar beneden willen hetzelfde als jij: het eerste elftal halen. „Dat moeten ze ook zeker blijven hopen. Ik heb een van de gaafste beroepen, dat vooropgesteld. Maar als ik de afgelopen jaren iets heb ingezien, is het wel dat voetbalplezier het allerbelangrijkste is. Stel dat je een enquête houdt onder ouders met kinderen van negen tot vijftien jaar bij een profclub, en je vraagt of hun zoon plezier heeft, dan ben ik benieuwd naar de uitkomsten. Op zaterdag zullen kinderen het leuk hebben, maar doordeweeks …”Voor alle duidelijkheid: Teun Koopmeiners heeft geen kinderen. Hij is 23 jaar. Dat hij zich toch zorgen maakt om het lot van ambitieuze talenten, komt door zijn eigen ervaringen. Hij doorliep de opleiding van AZ vanaf zijn tiende en weet als geen ander wat het vergt om het eerste elftal te halen. Bloed, zweet en tranen. Grijnzend: „Als die jochies weten wat ik ervoor heb moeten doen én nu nog doe, ben ik benieuwd of ze het nog willen.”In Alkmaar lopen ze met Koopmeiners weg. Op het veld een leider. Ernaast al net zo’n voorbeeldprof. Zie hem geinen met zijn grote fan Daantje, een verstandelijk beperkte supporter die soms de warming-up komt meedoen en wiens verjaardagsfeestje hij al eens bezocht. Koopmeiners’ analyses voor de tv: helder en uitgesproken, ongeacht de uitslag of het feit dat hij een strafschop heeft gemist – dit seizoen inmiddels vier. Later in het gesprek zal hij zeggen dat het „nuchtere Nederland” (lees: journalisten en analisten) jonge voetballers veel te snel op een voetstuk plaatst. Met als gevolg dat ze voortijdig gaan zweven – en vallen. Over coronabesmettingen onder voetballers: „Als iemand tussen de twintig en dertig jaar corona oploopt, komt dat echt niet van de benzinepomp vandaan. Het kan, maar de kans is groter dat ze het hebben opgezocht. Als ik het krijg, ligt het waarschijnlijk aan mezelf.” Hij lijkt ouder dan zijn leeftijd, maar er schuilt wel degelijk een jonge geest in hem. Toen Koopmeiners en zijn vriendin een jarendertighuis kochten in Castricum, aan het water, met een erker en een park voor deur, kreeg het stel al binnen een halfjaar spijt. „Ik was twintig. Dan wil je niet naar buiten kijken en denken: mooi dat park, maar waar zijn de mensen? Wij waren veel te jong voor dat huis.” Ze stelden het huis beschikbaar aan zijn ouders en betrokken een appartement in de binnenstad van Alkmaar, dicht bij vrienden en terrassen. Zijn vriendin, die veertig uur per week werkt en een hekel heeft aan het predicaat ‘voetbalvrouw’, is blij dat ze weer in de buurt van vrienden en familie woont. Je denk nooit: ik mis iets? „Een deel van mijn vriendengroep leeft heel vrij. Die doen en laten wat ze willen, zitten soms met een katerkop aan de studie. Die willen tot hun dertigste vooral genieten. Als ik mijn vriendin zie weggaan, heb ik ook best weleens zin om te gaan. Aan de andere kant: ik besef vaak genoeg hoe goed ik het heb.” Op welke momenten vooral?„Als ik zie hoe studenten wonen en leven, waardeer ik nog meer hoe goed ik het heb. We wonen fijn, kopen de boodschappen die we willen, kunnen op vakantie. Ik mag niet klagen over de dingen die ik mis.”Juist die discipline is voor een topsporter cruciaal, weet hij. „Veel grote talenten die het niet halen, ik heb er genoeg gezien, misten dat aspect. Wel denk ik dat een hoop profvoetballers ook weer niet zo volwassen zijn als het lijkt.”Jij zet voor de camera gewoon een serieus gezicht op?„Je ziet de echte Koopmeiners, dat sowieso. Maar mijn vriendin vindt me soms een kleuter. Vraagt zij op mijn vrije dag of ik de vaatwasser wil uitruimen, een pakketje wil wegbrengen, boodschappen wil doen, komt ze thuis en heb ik niks gedaan.” Grijnzend: „Heel kinderachtig.”Hij komt uit een „stabiel, liefdevol” gezin. Zijn ouders deden er alles aan om hem én zijn broertje Peer (20), die ook bij AZ speelt, te laten slagen. Ze hoefden bijvoorbeeld geen bijbaantje te nemen, als dat betekende dat ze zich beter op hun voetbalcarrière konden richten. Op voeding werd gelet. Nam hij een koekje bij de thee, fronste zijn vader met zijn wenkbrauwen. En nóg. Motto in huis: niet klagen, maar doorgaan.Teun Koopmeiners: „Voetbalplezier is het allerbelangrijkste.”
Foto Bastiaan Heus
Toch scheelde het weinig of hij was vroegtijdig gestopt, in de B2. Koopmeiners vertelt over zijn zwaarste én meest leerzame seizoen in de jeugd. Hij was vijftien jaar en belandde plots op de reservebank, nadat hij in de jaren ervoor altijd tot de betere spelers van zijn team werd gerekend. „Ik schrok me een hoedje.” In plaats van de volle honderd procent maakte hij dat jaar slechts 13 procent van de speelminuten. Zijn ongenoegen nam met de week toe. Niet alleen werd zijn spelplezier hem afgenomen, ook wilde de trainer dat de spelers nog serieuzer voor de sport gingen leven. Oftewel: meer trainen, meer offers. Sommige teamgenoten kapten ermee, om te voorkomen dat ze later teleurgesteld zouden worden. Je gaf veel, maar kreeg weinig terug?„Zo kun je het zien. Toen ik hoorde dat ik diezelfde trainer het jaar erop weer zou krijgen, wilde ik stoppen. Ik lag met natte ogen in bed. ‘Als je nu stopt, heb je jezelf ermee’, zei mijn vader. Op advies van hem hebben de trainer en ik een cursus gevolgd die hij ook had gedaan: NLP [Neuro Linguïstisch Programmeren]. Het jaar erna klikte het wel. Ik speelde alles.„De trainer deed het om mij te helpen, maar dat kon ik als puber niet overzien. Hoe later je zo’n jaar hebt, hoe lastiger ermee om te gaan. Kijk naar Mo Ihattaren, van PSV, die dit seizoen in een lastige situatie zit en heel Nederland over zich heen krijgt. Ik had het moeilijk in mijn eigen veilige omgeving. Bij hem ligt alles op straat.”En daar duikt de pers op. Logisch toch, of zijn journalisten te hard?„Jullie mogen schrijven wat je wil, maar ik vind wel dat wij in Nederland heel goed zijn in het maken en breken van spelers – vóóral in het maken. Wie tien goede wedstrijden in de Eerste Divisie speelt, moet naar de Eredivisie. Een goede verdediger? De nieuwe Matthijs de Ligt! Laat een speler eerst drie jaar stabiel presteren voordat we hem ophemelen. Zelf heb ik soms ook moeten knokken, maar als je dat nooit hebt hoeven doen, heb je het zwaar. Ik zou zeggen: een beetje matigen kan geen kwaad.”Wat gebeurt er met spelers als ze al jong op handen worden gedragen? „De werkethiek neemt af. Heb ik ook hier bij AZ gezien. Puntje bij paaltje, als er oorlog gevoerd moet worden, denken die jongens: het wordt voor me gedaan. En dat hoeft niet eens in de aard van het beestje te zitten. Wanneer je een jaar lang omhoog wordt geschreven en een hype wordt, ga je vanzelf geloven dat je er al bent. Je bent niet zomaar wereldtop. Ja, Frenkie de Jong en De Ligt, maar zij zijn de uitzonderingen.” Privé kende Koopmeiners ook turbulentie. Halverwege zijn tienerjaren werd zijn moeder voor de tweede keer met kanker gediagnosticeerd. Later overkwam het ook zijn toenmalige vriendin. „Ik weet nog dat mijn ouders zeiden dat ik en mijn broertje even moesten gaan zitten. Toen zij het vertelden, drong de ernst eigenlijk niet goed tot me door. Ze hielden de zorgen bij ons weg, wat mij rust bracht. Alleen: als je moeder geen haar meer heeft, of wanneer ze het huis binnenkomt met een zak bloed aan een infuus, dan hakt dat er wel in.”Waar hij bij zijn moeder één keer meeging naar het ziekenhuis, bracht hij hele nachten door aan de zijde van zijn destijds zeventienjarige vriendin. Lag hij met haar op de jeugdafdeling tussen doodzieke kindjes van vier. „Ik heb het daar ook heel moeilijk mee gehad, want het kwam zo hard binnen. Ik ging er ook van relativeren. Liepen er jongens op het veld te klagen over sprintoefeningen, dacht ik: weet je wat erg is … Nu doe ik dat minder. Doorslaan in dat relativeren is ook niet goed.” Het gaf hem in elk geval extra kracht om door te gaan. Met als gevolg dat hij nu, jaren later, in het eerste van AZ speelt. Het gedroomde leven? In zekere zin wel, zegt hij, maar evengoed een onderschat bestaan.Waar zit ’m dat in?„De baan zelf, denk ik. Aan mijn vader vragen mensen of ik naast het voetbal nog studeer. Aan mij of ik twee of drie keer train. Het zit hem vooral in het feit dat er een hoop meer tijd en werk bij komt kijken dan alleen die jongensdroom in het weekend, als we in een vol stadion spelen.”

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *