Verdriet en rouw geven niet om context




We discussiëren non-stop over coronabeleid, mismanagement en restricties. Maar zelden nemen we de tijd om de collectieve rouw waarin we eigenlijk verkeren te erkennen. Een op de drie Amerikanen kent iemand die gestorven is aan Covid-19. The New York Times maakte een Those We’ve Lost-special om de mensen achter de cijfers te tonen. Daarin delen rouwende lezers foto’s van en verhalen over dierbaren. De inzending van Karina Castellanos was een foto van gedroogde lila bloemen in een grijze keramieken vaas die ze als tiener maakte. Het laatste dat ze haar moeder Maria Beatriz Catellanos (67) cadeau deed. Cathryn Schwing en partner George Ross waren twintig jaar samen. Ze kregen beiden corona, maar hij (61) overleed plots. Ze deelt zijn lievelingsbloes, warmoranje met witte esdoornbladen. Een gouden oorbel versierd met schitterende edelstenen. Die had de vader van Nina Patel in de jaren negentig op de kop getikt op een Indiase markt voor moeder Neha (41). Nina draagt hem nu als bedeltje om haar hals. In Nederland verloren we vorig jaar twintigduizend mensen. Toch voelt het als bijzaak vergeleken met de aandacht voor de waan van de dag. Dat is wellicht een rouwsymptoom van deze tijd. Verdriet dat zo omvangrijk is, dat het de hele samenleving, nee de hele wereld, in haar greep houdt, is onverwerkbaar. „That discomfort you’re feeling is grief”, stelde rouwexpert David Kessler aan het begin van de pandemie al. Onheilspellende rouw vanwege wat nog komen kan. Maar ook ontheemde rouw voor de kostbare tijd en momenten die we verliezen. Ook ik ben direct en indirect door dood omringd geweest. Zoals toen mijn Amerikaanse tante Clarice overleed. Hoewel ze niet aan corona stierf werd zij – en werden vooral haar naasten – collateral damage, omdat je niet eens fatsoenlijk afscheid kunt nemen. Daardoor voelt de rouw ook niet altijd even echt aan. Vreemd genoeg hielp het mij om afleveringen over Covid-19 van Amerikaanse ziekenhuisserie Grey’s Anatomy te kijken. Aanvankelijk vond ik het traumatiserend, vanwege de confrontatie met de gruwelijke realiteit. Maar al snel werd het een welkome uitlaatklep. De werkelijkheid wordt op een bepaalde manier beter te behappen wanneer je haar weerspiegeld krijgt. Voor tante Clarice stak ik een kaarsje op en goot ik wat cane juice, Liberiaanse alcohol van rietsuiker, gestookt op onze familieboerderij. In veel Afrikaanse (en andere niet-westerse) culturen eer je de doden door offers te brengen en hen te herdenken, want zo blijven ze onsterfelijk. Dat doen we eigenlijk ook bij Joodse (en zwarte, Indonesische, Roma, Sinti en homoseksuele) slachtoffers, verzetshelden en getroffenen van de Tweede Wereldoorlog. Alleen was er daar, in tegenstelling tot nu, een duidelijke schuldige aan te wijzen. „We moeten aan de rouwarbeid”, stelde ongeëvenaarde schrijver Roxane van Iperen. In haar 4 mei-lezing had zij het over het leed en de misdaden uit het verleden. Niet vergelijkbaar, maar toch geldt dat ook voor het heden. Het is natuurlijk noodzaak om maatregelen en falend overheidsbeleid te bespreken om uit de pandemie te komen. Maar verdriet en rouw geven niet om context, ze vechten enkel voor het eigen bestaan. Wellicht komen we er wel nooit vanaf, maar we zijn hen alleen de baas als we eraan durven toegeven. Als we de rouw door ons lichaam, onze geest en onze straten laten stromen. Want verstopt verdriet is niet alleen funest voor jezelf, maar uiteindelijk, op collectief niveau, catastrofaal voor ons allemaal.
Clarice Gargard is programmamaker en freelance journalist.

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 6 mei 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *