‘Wij zitten hier voor spek en bonen’, zeiden Kamerleden al in 1955




In de zomer van 1955 deed de VVD-fractie iets ongebruikelijks: uit protest liep de grootste oppositiepartij weg uit een Kamerdebat. In de weken daarvoor was het tweede kabinet-Drees gestruikeld over de Huurwet, maar dankzij handig opereren was er in de achterkamers toch een compromis bereikt tussen de coalitiepartijen. De uitkomst van het debat stond daarom al vast. „Wij zitten hier voor spek en bonen”, concludeerde VVD-fractievoorzitter Pieter Oud, en weg waren zijn negen VVD’ers.De wil van Oud om te breken met de oude bestuurscultuur weerklonk deze week in Den Haag. Vrijwel de gehele Kamer wil af van de monistische praktijk waarin regeringsfracties en kabinet één machtsblok vormen. Een motie voor een nieuwe politieke cultuur werd donderdagnacht aangenomen. In zijn eindverslag als informateur constateerde Herman Tjeenk Willink vrijdag eveneens de grote politieke wil om tot meer dualistische verhoudingen te komen.Maar, schreef hij ook: „Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.”Want de belofte van méér dualisme verzandt in de praktijk geregeld in méér monisme. Toen het eerste Paarse kabinet in 1994 aantrad, beloofde Wim Kok in zijn regeringsverklaring dat dualisme „een kernpunt” zou vormen, en een breuk met de bestuursstijl van de kabinetten-Lubbers. Acht jaar later maakte een kiezersopstand juist een einde aan wat toen door velen als een zéér monistische bestuurscultuur werd gezien.

Lees ook: Kabinet onder leiding van Rutte weer reële optie

Pim Fortuyn en zijn LPF hekelden de „achterkamertjespolitiek” van Paars. Ook het CDA en linkse oppositiepartijen GroenLinks en SP keerden zich tegen de stijl waarin regeringsfracties en kabinet elkaar nauw vasthielden en amper ruimte lieten aan de oppositie. Met als toppunt de dichtgetimmerde Vreemdelingenwet 2000, waarvan verantwoordelijk staatssecretaris Job Cohen (PvdA) opmerkte dat het geen onderwerp was dat „dualistisch kan worden behandeld”. Klassieke kritiekZo lijkt elke politieke generatie z’n eigen cultuurrevolutie te willen doorvoeren in Den Haag. Eens in de zoveel jaar moet alles anders, maar de kritiek klinkt vaak klassiek. Ook Mark Rutte was ooit de toekomst, toen hij zich tegen het kabinet-Balkenende keerde. Na tien jaar premierschap belooft hij nu met „radicale ideeën” te komen voor een andere bestuursstijl.Er zijn genoeg redenen waarom zo’n bestuurscultuur in de praktijk moeilijk te veranderen is. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de staat veel complexer geworden en gaat ‘Den Haag’ over veel meer dossiers en problemen, noemden politicologen Peter van der Heiden en Jacco Pekelder begin deze eeuw als één van de oorzaken: dat vergroot de neiging méér politieke afspraken te maken. Bovendien is de wereld onzekerder en onvoorspelbaarder geworden. Politieke meerderheden zijn, door een steeds sterker versplinterde Kamer, krapper geworden, en daarmee ook het risico op bedrijfsongevalletjes. Wat dan weer een reden is om frequent te overleggen tussen kabinet en coalitietop in de Kamer, in de kabinetten-Rutte elke maandagochtend. Die overleggen kunnen ook wel wat minder, zei Rutte donderdag in het debat, of zelfs afgeschaft worden. Nog fundamenteler is de inherente spanning in het parlementaire stelsel waardoor het dualistische adagium dat ‘de regering regeert en het parlement controleert’ nooit helemaal op gaat. Het parlement is immers mede-wetgever. Die disclaimer gaf Kok in 1994 mee: „Een strikte scheiding van de taken van regering en parlement bestaat niet”. Het parlement is, memoreerde Rutte donderdagavond, opdrachtgever van de regering.Helemaal gescheiden zijn een regerende ‘macht’ en controlerende ‘tegenmacht’ dan ook nooit. Alleen controleren wil de Kamer immers niet. Zij wil blijven meepraten, richting kunnen geven aan het bestuur, invloed hebben. In die zin lijkt Den Haag nu vooral af te willen van coalitiemonisme. Het onzichtbare spelEen regeerakkoord op hoofdlijnen kan extra ruimte voor het parlement geven, denkt Tjeenk Willink. Maar het parlement moet die ruimte dan wel ook pakken. In de praktijk gaan Kamerleden vaak mee in het voor het publiek onzichtbare politieke spel waar ze vanaf zeggen te willen. Debatten wordt vaak van tevoren al ‘afgekaart’; Kamerleden, ook uit de oppositie, schaven geregeld samen met de politiek assistenten van bewindspersonen aan de teksten van moties. Kamerleden vinden het vaak ongemakkelijk, maar doen het toch: zó krijgen ze iets gedaan.Kortom: het slagen van de dualistische ambitie is vooral ook afhankelijk van het optreden van politici zelf. Nemen Kamerleden straks de telefoon niet meer op als de politiek assistent belt, gaan ze transparant de onderhandelingen met de regering aan? Het herstel van de democratische rechtsorde en de gewenste dualistische verhoudingen vragen juist óók om versterking van de wetgevende functie van het parlement, aldus Tjeenk Willink in zijn eindverslag.

Lees ook het opiniestuk van hoogleraar theologie Stefan Paas: Haagse rituele opwinding ondermijnt vertrouwen

Dat moet een einde maken aan wat Hans Daalder, de grondlegger van de Nederlandse politicologie, ooit omschreef als „lauw conformisme” van de politiek. Dat kwam volgens hem voort uit de dichtgetimmerde afspraken tussen regeringsfracties en het kabinet. Het beleid, schreef hij, „wordt meer en meer in een geheim concilie van ministers en fractieleiders bepaald, de informatie die nodig is voor een gegrond politiek debat komt te ontbreken en van oppositie kan men weinig meer verwachten”. Hij schreef het in 1957.

Nieuwsbrief
NRC De Haagse Stemming

Volg de formatie op de voet en word zelf een Haagse ingewijde

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 1 mei 2021

Een versie van
dit artikel
verscheen ook in

NRC in de ochtend
van 1 mei 2021

Written by 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *